26-05-17

België, ons glorierijk land

PLAN

0 Inleiding: kenmerken en beknopte geschiedenis van het Belgische volk

1 Verre einders

2 Wetenschappen, techniek, handel

3 Kunst

4 Sport

5 Volkskunde

   

 

0 INLEIDING

 

0.1  De Belgische identiteit

 

België ligt op de raaklijn van de Latijnse en Germaanse culturen. Het land is dus van oudsher een draaischijf maar tegelijk ook een gedroomd doorgangsgebied voor invallers allerhande. Eeuwenlang vormt het land het slagveld van Europa en wordt het bezet en zijn bevolking verdrukt. Toch slaagt geen enkele overweldiger de vrijheidszin van zijn bewoners de kop in te drukken. Zij weten tel kens weer hun duur bevochten vrijheid te heroveren. Al in de tijd der Galliërs weerstaan de stammen die hier leven aan de Romeinen. Er is dan nog lang geen sprake van eenheid maar dat belet hen niet hun vel duur te verkopen. Caesar erkent niet zomaar hun uitzonderlijke moed. En velen komen na hem tot dezelfde conclusie. niet zel­den tot hun schade en schande... Na de Mero­vingische periode volgen de Karolingers. Zij krijgen af te rekenen met de invallen van de Vikings die onze rivieren opvaren om te plun­deren en de lokale bevolking te gijzelen. Zij stel­len de bestaande koninklijke en keizerlijke orde meer dan in vraag. Maar de bewoners reageren zelf en bieden weerstand. onder aanvoering van hun krijgsheren. Eeuw na eeuw worden dus invallers verdreven en bezettingen gebroken. Deze weerstand wordt legendarisch. Voor de Vlamingen zijn dat vooral het verzet tegen de Koning van Frankrijk en de daaropvolgende Guldensporenslag in 1302. Met het ontstaan van de "Spaanse Nederlanden", als gevolg van de schei­ding van de Zeventien Provincies in de 16de eeuw, groeit een Belgische nationale identiteit. De Spaanse heerser moet de provinciale tradi­ties respecteren en de bezetting krijgt een ander karakter. Als de Oostenrijkse autoriteiten dat niet doen, komt er een opstand in 1789­-1790. En ook al tracht het daaropvolgende Franse centralisme dat nationaal gevoel het zwijgen op te leggen en wordt de eenheid met de Noordelijke Nederlanden hersteld. toch krijgt de vrijheidszin weer de bovenhand en zorgt zij voor een onafhankelijke staat in 1830. De Belgisch bevolking trekt deze lijn door in de beide Wereldoorlogen. Zij biedt moedig weer­stand en overtuigt zelfs de grootste twijfelaars dat culturele of taalverschillen de eensgezinde strijd tegen onrecht en willekeur niet in de weg hoeven te staan. Dankzij deze democratische traditie slaagt dit land er in een uniek politiek model te creëren. België wordt een Federale staat, gebaseerd op het compromis en een permanente dialoog binnen de instellingen. Het herbergt trouwens tal van internationale instellingen. mede door zijn centrale ligging in Europa. de inzet van tal van vooraanstaande Belgische personaliteiten met internationale uitstraling en een van oudsher open opstelling naar de wereld toe. Brussel is niet zomaar de hoofdstad van Europa geworden!  

  

0.2 Geschiedenis

 

De grondlegger van de menselijke paleontologie en de eerste "Belg" !?

De gevonden menselijke resten zijn afkomstig van drie schedels: een homo neanderthalensis (kinderschedel), een man der Moustérien-type (70.000-35.000 v. Chr.) en een uit het Aurignacien-tijdperk (35.000-27.000 v. Chr.). De menselijke paleontologie is geboren.Op dat ogenblik gelooft men nog dat God wereld en mens geschapen heeft (op zes dagen, 5000 tot 6000 jaar geleden). Daardoor blijft de ontdekking van Schmerling lange tijd ondergewaardeerd.

  

“De Belgen zijn de dappersten”

 

In zijn verslagen over de oorlog in Gallië, verklaart Caesar, als meest waardevolle informatiebron over de oudste geschiedenis van ons land: "Van aile volkeren zijn de Belgen de dappersten". Op dat moment reikt Belgisch Gallië of Belgica van de Seine tot aan de Rijn. Er wonen volkeren van Keltische en Germaanse oorsprong: Atrebaten, Bellovaken, Eburonen. Morinen, Aduatieken. Trevieren en Remen. Na felle weerstand worden onze kon­treien door Caesar veroverd in 51 v. Chr. Hij verdeelt ze in vier provincies: Germania I, Germania II, Belgica I en Belgica II. De voor­naamste plaatsen op dat ogenblik zijn Turnaccum (Tournai) en Aduatuca (Tongeren). De Romeinen voeren hun politiek systeem in. Legioenen installeren zich in de vier provincies. Commerciële relaties ontstaan en groeien: olie, wijn, toiletartikelen. kunstVoorwerpen komen vanuit Rome naar hier. terwijl gerookte hesp van de Menapiërs. ganzen en stoffen van de Morinen, wolproducten van de Nerviërs naar Rome uitgevoerd worden. De maatschappij blijft hoofdzakelijk agrarisch.

Op 11 juli 1302 is er te Kortrijk een gevecht dat beslissend zal zijn in de geschiedenis van België. Tegenover elkaar staan de Vlaamse troepen, bestaande uit stedelijke milities en boeren, en een schitterend Frans ridderleger onder het bevel van Robert d'Artois, de "lieve­ling" van de Franse koning Filips IV, de Schone. Het gevecht gaat later de geschiedenis in als "de Slag der Gulden Sporen" omwille van de 700 vergulde sporen die, ten teken van overwinning, opgehangen worden in de kerk van Kortrijk. De Vlaamse overwinning is voor vele tijdgenoten, waaronder de Benedictijn Gilles li Muisis, onvoorstelbaar, zowel vanuit militair als politiek oogpunt. De strijd is eigenlijk vooraf hopeloos voor de Vlamingen. Want als gevolg van een langdurig conflict tussen de graaf van Vlaanderen, Gewijde van Dampierre. en zijn leenheer, koning Filips de Schone van Frankrijk, wordt Vlaanderen door de Franse kroon gean­nexeerd. Graaf Gewijde van Dampierre, zijn zonen Robrecht van Bethune en Willem, even­als tal van Vlaamse edelen worden in Franse gevangenissen opgesloten. En de zegevierende vorst maakt begin 1301 met zijn gade, Johanna van Navarra, zijn blijde intrede in het veroverde land.

Ondanks het feit dat velen zich daarbij neerleg­gen, groeit er verbeten tegenstand. Vlaanderen is, in tegenstelling tot de andere Franse provin­cies, sterk verstedelijkt en geïndustrialiseerd. Brede lagen van de bevolking (het"gemeen" van Gent en Brugge. de welvarende vrije boeren van het Brugse) liggen in conflict met de heren en het oligarchisch patriciaat van de steden. Eenmaal zij de banden zien tussen adel, stedelijk patriciaat en koning, gaan zij in het verzet. Vooral in Brugge staan de gemeentelijke milities, aange­voerd door de wever Pieter de Coninck, op tegen de bezetter. Zo ontstaat een verbazing­wekkende coalitie van de aristocratische grafe­lijke familie. boeren en democratische beroeps­lui.

Op 18 mei 1302, bij het krieken van de (vrij)dag, doden zij tientallen Fransen en hun medestanders in wat later de "Brugse Metten" zullen genoemd worden. Deze moordpartij is de gedroomde gelegenheid voor de Fransen om het graafschap te heroveren en er het gezag van de vroegere dynastie te herstellen.

Onder commando van Willem van Gulik stoten de Vlamingen door naar Brugge. Zij maken zich meester van het Brugse Vrije en de kuststreek. De Ieperlingen en een honderdtal Gentse ballingen nemen ook deel aan het gevecht, onder aanvoering van Jan Borluut. Intussen benoemt de Franse koning Robert d'Artois tot bevelheb­ber over het leger dat 8000 manschappen telt, waaronder 2500 tot 3000 ridders en schildkna­pen. Dat leger moet naar Kortrijk om het Franse garnizoen te ontzetten dat belegerd wordt door de Vlamingen. De grote slag tussen de twee legers heeft plaats in de moerasvlakte van Groeningen, buiten de stad Kortrijk. Dankzij een listige aanpak. aangepaste wapens waaronder de goedendag - het wapen van de stadsmilities, een soort van knots aan het dikke einde voorzien van scherpe punten, waarmee men de vijand "flink begroet" en ridders en schildknapen zowel uit het zadel kan lichten als doden - maar ook lans en knots, slaagt de Vlaamse infanterie er in de Fransen te overwin­nen. Na 1302 is het graafschap weer onafhankelijk met een eigen dynastie. In 1304 beslist Filips de Schone immers dat Vlaanderen weer toebe­hoort aan zijn graaf en dat de gemeentelijke vrijheden behouden blijven. Het patriciaat moet overigens de macht delen met de ambachten en de homines novi oftewel rijken die niet tot de gevestigde families behoren.

De slag te Groeningen maakt een einde aan een eeuw Franse hegemonie die begonnen is in 1214 in Bouvines dat dan ook deel uitmaakt van Vlaanderen.

Verschillende kronieken brengen verslag uit over deze historische Gulden Sporenslag. Zo wordt in 1838 deze geschiedenis populair dank­zij het boek De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience. De gebeurtenis krijgt geleidelijk aan symboolwaarde voor de Vlaamse Beweging. Plechtige herdenkingen zijn hiervan het gevolg. met de inhuldiging van standbeelden. historische stoeten enz... ln 1973 roept de Vlaamse regering 11 juli uit tot officiële feestdag van de Vlaamse Gemeenschap.

In 1501 zit Filips de Schone het Kapittel van de Orde van het Gulden Vlies voor in Brussel. Hij laat zijn zoon, dan één jaar oud, toetreden. Filips sterft vijf jaar later. Op zijn vijftien is Karel meerderjarig en wordt hij koning van Spanje en voorzitter van de Orde. Het gaat om een vereniging die in 1430 door Filips III de Goede in Brugge gesticht is. Zij verenigt alleen edelen, geniet de bescherming van de Heilige Maagd en van de apostel Andreas, ook patroon van Bourgondië. Het "Gulden Vlies" staat symbool voor Jeruzalem. De leden van het genootschap willen de christelijke ridderstand laten herleven die de Kruistochten naar de heilige Plaatsen heeft ondernomen. Tijden zijn bewind zijn er drie algemene kapittels: het eerste te Barcelona, het tweede te Utrecht en het derde te Tournai. Tijdens dit laatste vergroot Karel het aantal ridders tot 51. Als meester van de Orde draagt hij een rode mantel uit velours met een vergulde sleep van geborduurde witte zijde. Deze is voorbehouden aan de meester. De wapen­ spreuk van Karel de Stoute siert de mantel: "je l'ay emprins", oftewel "ik heb het geprobeerd". Om de abdij van Saint-Martin te Doornik te danken voor het onderdak in 1531, schenkt Karel haar de kostbare mantel die hij draagt tij­dens het derde kapittel. Dom Jean du Quesnes, abt van 1557 tot 1582, laat de mantel omvor­men tot liturgisch habijt, door toevoeging van goudborduurwerk, uitgevoerd door een Brabants atelier. Even vermelden dat ook Lodewijk XIV, tijdens een bezoek aan de abdij in 1671, een kostbaar geheel van liturgische gewa­den in met goud en zilver geborduurde, rode zijde schenkt. In 1555 doet Karel V troonafstand en neemt hij ook ontslag als meester van de Orde. Zijn keizerlijke mantel is sedert 1906 niet meer gedragen. Hij behoort wel tot het Werelderfgoed van UNESCO.

De Luikse wapennijverheid Luxewapens, geweren en jachtkarabij­nen voor de markten van Noord- en Latijns­Amerika. Er zijn ook modellen van karabijnen en geweren uit de Napoleontisch oorlogen bestemd voor regeringen, factorijen en kolonia­le vestigingen evenals voor commerciële zee­vaartmaatschappijen. Zak- en holsterpistolen, persoonlijke verdedigingswapens voor de kolo­nisten in Amerika maar ook voor koopvaardij­schepen.  Op 10 mei 1940 vallen Duitse troepen ons land binnen. België zal vier jaar onder het juk van het Derde Rijk zuchten.Tijdens deze bezetting wij­zen heel wat Belgen onderdanigheid af en gaan in het verzet. Hun bedoeling is de vij­and te destabiliseren. Zij saboteren spoorwe­gen, sluizen en het elektrische net. De sabota­geacties nemen nog in belangrijke mate toe vanaf midden 1943. Zij gaan hand in hand met geallieerde luchtraids. Enerzijds eisen de Duitsers alsmaar meer mensen op om de scha­de te herstellen, anderzijds wreken ze zich op burgers en doden onschuldige gegijzelden. De Belgisch regering erkent 16 weerstandsgroepen. Daaronder ook het Geheime Leger. De inlichtingennetwerken vormen een essentieel onder­deel van de weerstand. In België zijn het er vier: Tegal, Clarence, Zéro en Luc-Marc. Zij observeren systematisch militaire installaties van de nazi's en brengen aan Londen verslag uit m.b.t. troe­pentransporten, de juiste lokalisatie van mijnen­velden, radar, de resultaten van bombardemen­ten... Sommige weerstanders helpen ook gealli­eerde vliegers of andere gezochte weerstan­ders te ontkomen. Echte netwerken ontstaan. Zo realiseert Comète, de organisatie van Andrée De Jongh, 800 repatriëringen. Ook de illegale pers speelt een belangrijke roi in het verzet. Tijdens de bezetting verschijnen onge­veer 560 bladen. Sommige ervan zijn kwalitatief heel sterk. Maar verzetslui verspreiden daaren­boven ook vlugschriften met antipropaganda.   

 

 1 VERRE EINDERS

 

 

 

Hij wordt waarschijnlijk in 1061 te Baisy geboren dicht bij Genappe. Godfried van Bouillon, hertog van Basse-Lorraine, markies van Antwerpen en dan hertog van Bouillon, wordt lange tijd beschouwd als de perfecte christelijke ridder, model kruisvaarder, bezieler, leider en held van de eerste kruistocht. Deze "reputatie" krijgt hij van de kroniekschrijvers Albert d'Aix en Guibert de Nogent, die biografie en lofdicht door mekaar hebben gehaald. Godfried van Bouillon kennen wij nu als een moedig man, toegewijd, zeer vroom maar soms weifelend en bloeddorstig. Hij is de zoon van Eustache II, graaf van Boulogne, en kleinzoon langs moederszijde van Godefroid II van Basse-Lorraine die hij opvolgt. Deze edelman dient zijn heer, de Duitse keizer, trouw tegen de Saksen en in Italië. Paus Urbanus II die in het Oost-Romeinse rijk niet kan prediken en monniken van Cluny zetten Godfried tot de kruistocht aan. Met Vlaamse, Brabantse,Waalse, Lotharingische en Rijnlandse ridders trekt hij door Zuid-Duitsland in augustus 1096, door Hongarije, de Balkan. Hij heeft wat moeilijkheden met de Byzantijnen begin 1097 en komt aan in Anatolië, waar Nicea wordt verslagen in 1097. Twee jaar later, op 15 juli 1099, is Godfried succesrijk bij de inname van Jeruzalem.

Als Raymond de Toulouse zich terugtrekt, wordt Godfried van Bouillon aangewezen op 22 juli 1099 voor het gezag. Hij weigert evenwel de titel van koning en kiest voor "verdediger" van het Heilig Graf. Hij vindt immers dat het Heilig Land toebehoort aan de kerk en dat het een ecclesiastische heerlijkheid is waarvan de kruisvaarders enkel de lekendienaars zijn. In december 1099 wordt de pauselijke afgevaardigde Dambert van Pisa patriarch van Jeruzalem en eist van Godfried de eed aïs vazal. Eerstgenoemde ambieert volledige soevereiniteit over Jeruzalem en Jaffa. Godfried sterft op 18 juli 1100 in Jeruzalem. Hij wordt begraven in de kerk van het Heilig Graf. De Franciscanen bewaren ook nu nog zorgvuldig het "legendarische" zwaard van Godfried van Bouillon, evenals sporen en borstkruis. Het wordt in 1854 voor het eerst gefotografeerd door August Salzmann. Meer dan negen eeuwen lang heeft het zwaard nooit Jeruzalem en de Heilig Grafkerk verlaten.

 

Legendarisch zwaard van Godfried van Bouillon

Dit  zwaard wordt bewaard  in het Musée Ducal van Bouillon. Het is een zeldzaam exemplaar in ijzerdat naar vorm lijkt op modellen van omstreeks de 12de eeuw. De ori-ginele delen ervan en de uitstekende bewaring laten toe de emblematische typologie van de Middeleeuwen te bestuderen. De lichtjes gebogen kling is perfect getekend en bezit twee sne-den en een lange groef op twee derden ervan. De puntkegel geeft aan dat het wapen eerder gebruikt is aïs slagwapen dan aïs steekwapen. Interessanter is evenwel de knop die doet den-ken aan de vorm die bekend staat als "Paranoot". Dat is ook een kenmerk van het kroningszwaard van de koningen van Frankrijk, bijgenaamd "van Karel de Grote" ( I 175-1200), dat bewaard wordt in het Louvre ("Trésor Royal de la Galerie d'Apollon").  

 

Mercator wordt als Gerhard Kremer geboren  te Rupelmonde op 5 maart 1512.

Hij gaat in 1530 wiskunde en aardrijkskunde studeren aan de Universiteit, onder leiding van de astronoom Frisius, die hem inwijdt in de geheimen van de constructie en weergave van de aardbol. In 1538 publiceert hij zijn eerste wereldkaart, volgens deze van net Heilig Land. Hij vestigt een solide reputatie als cartograaf, aardrijkskundige en astronoom. Hij is overigens ook de uitvinder van de cursieve schrijfwijze in de nieuwe cartografie.

Verdacht van Lutherse sympathieën, belandt hij in de gevangenis en wijkt hij in 1552 uit naar Duisburg en het Rijnland, van waar zijn ouders afkomstig zijn. Hij legt zich vanaf dan toen op een projectie van de aarde en publiceert de 18 bladen, op basis van de door hem ontwikkelde theorie, die eindelijk ten behoeve van dereizigers de omtrekken van de aarde exact beschrijven. Hij stapt af van de geldende cartografische voorstellingen, inspireert zich op het oude Griekse model en op reisverslagen en ontdekkingen van zijn tijd. Zo realiseert hij in 1869 deze beroemde "wereldkaart" met cilindrische projectie, een wereldbol die ook nu nog gebruikt wordt. Mercator is bovendien de uitvinder van het woord "atlas", titel van zijn verzameling kaarten.

 

 

De baai van New York wordt in 1525 aangedaan door G. da Verrazzano, en nadien door H. Hudson, die de rivier opvaart die nu zijn naam draagt. In 1614 bouwen de Hollanders een fort op het eiland Manhattan. In 1625 stichten zij de hoofdstad van een kolonie, Nieuw Amsterdam. Onder deze stichters zijn er Walen. In 1624 zet immers het schip Nieuw Nederland, onder kapitein Cornelis Jacobz May, koers naar de Nieuwe Wereld. Aan boord zijn een dertigtal protestante families, overwegend Waalse die naar Leiden gevlucht zijn om te ontsnappen aan de godsdienstvervolging. In 1626 koopt Peter Minuit van de indianen het hele eiland voor rekening van de (Hollandse) West-Indische Compagnie. In 1664 maken echter de Engelsen zich meester van de kolonie en noemen haar New York. In 1674 verliezen de Hollanders deze voorgoed. New York wordt een antikolonialistisch en eclectisch centrum en hoofdstad van de VS tot in 1797. De kolonie die mee gesticht is door Belgen evolueert in de 19de eeuw razendsnel tot de stad die wij nu kennen.

 

Antoine Hennepin wordt in 1626 geboren in Ath. Hij wordt pater Louis bij de Recolleten van Béthune. Nadat de Engelsen de kolonie Québec teruggegeven hebben aan de Fransen, gaat hij in 1675 naar Canada. Daar dient hij zich ter beschikking te stellen van Cavelier de la Salle die de Mississippi gaat verkennen om er handel te voeren. Hun tocht begin in Québec, dan gaat net stroomopwaarts de Saint Laurent richting Ontariomeer. Dan steken zij een vol jaar de grote meren over, passeren de Niagara-watervallen en komen aan in de buurt van het Michiganmeer. Op bevel van de la Salle gaan Pater Louis en twee metgezellen naar de Boven-Mississippi maar worden er gevangen genomen door de Sioux. Enkele maanden later komt hij vrij en gaat hij terug naar Frankrijk (1681). Hij ziet de La Salle niet terug, met wie hij geen al te beste verstandhouding heeft. In 1683 draagt Hennepin zijn Description de la Louisiane... op aan Lodewijk XIV. Het wordt een succes ondanks de ijdelheid en leugens die zijn beschrijvingen ontsieren. Hennepin wordt trouwens uitgewezen. Om zich te wreken op de la Salle publiceert hij in Utrecht een Nouvelle découverte... die hij opdraagt aan de koning van Engeland. Daarin schetst hij een ongeloofwaardig verhaal: de afdaling van de Mississippi tot aan de Golf van Mexico. Zijn rijke verbeelding wordt hem fataal en Hennepin sterft als banneling in een Romeins klooster in net begin van de 18de eeuw.Als je zijn avonturenboeken en zijn kaarten met de verbeelding van een kind leest, zijn ze ongetwijfeld fascinerend!

 

 

Deze handelsonderneming wordt in de  Oostenrijkse Nederlanden gesticht bij octrooi van 19 december 1722 van Keizer Karel VI. Zij  krijgt gedurende dertig jaar het monopolie van de handel met Afrika en met Oost- en West-Indië. Het wordt een commercieel succesverhaal en Oostende is de aanlegplaats voor de schepen van de Compagnie. In 1724 varen drie schepen van de Oostendsche Compagnie voor het eerst van Oostende naar het verre Indië en China. Na tal van tegenslagen keren zij niettemin terug met een vracht van kruiden, parfums, porselein, zijde, katoenen stoffen, thee, koffie, allemaal producten die gegeerd zijn in Europa. Oostende wordt vlug de werelddraaischijf hiervan... Een eerbetoon is hier op zijn plaats aan de moedige kapiteins die ondanks stormen en piraten, hun kostbare vracht telkens opnieuw veilig aan de wal krijgen. Jammer genoeg duurt het succès maar even. Engeland, de Verenigde Provincies en later ook Frankrijk stellen de commerciële hegemonie van de Compagnie steeds meer in vraag. Om de lieve vrede en de troon van zijn dochter, Maria Theresia, te vrijwaren wordt Karel VI door de toenmalige koloniale machten in 1727 verplicht het octrooi voor zeven jaren op te schorten. In 1732 wordt het voorgoed ingetrokken. Meteen het einde voor de jonge en veelbelovende Compagnie. 

 

Voor Adrien de Gerlache vormt 16 augustus 1897 een opluchting als hij eindelijk met de "Belgica" kan afvaren uit de haven van Antwerpen richting Antarctica, na drie moeilijke voorbereidingsjaren. Van 2l tot 23 december legt hij aan te Ushuaïa en dan gaat het richting Lapataïa, waar de Argentijnse regering een kolendepot heeft waaruit het Belgische schip mag putten. Op 20 januari 1898 bereikt de Gerlache de antarctische wateren en waagt hij zich in de Hughes-baai (23 januari). Er wordt regelmatig halt gehouden voor wetenschappelijke experimenten (vissen, stalen...). Daardoor komt er ook een serieuze vertraging en de "zomer" is er al vergevorderd. Op 30 januari gaat men voor het eerst van boord. De Ger­lache, Cook, Racovitza en Arctowski gaan met twee spannen en levensmiddelen voor twee weken op pad. Zij vorderen moeilijk. Talrijke spleten dwingen hen tot omwegen en zij kun-nen slechts enkele korte meteorologische ob-servaties verrichten. Hier worden waarnemingen verricht en interessante zoologische en botanische stalen verzameld. Het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen van Brussel bewaart ook nu nog verschillende monsters en wetenschappelijk analyses hiervan. Tal van vissen die dan nog onbekend zijn, dragen nu namen die met de expeditie te maken hebben, zoals de "Gerlachis Australis". Ook nieuw ontdekte streken krijgen die: Solvay, Liège, Antwerpen. In februari 1898 beslist de Gerlache door te stoten naar het Zuiden, om zo nieuwe wateren te ontdekken. Het schip vaart rond het zuidelijkste punt van het eiland "Antwerpen" en baant zich een weg naar de zuidpoolcirkel die overschreden wordt op 13 februari. Tien dagen later komt het aan op het eiland Alexander, laatste stop voor het pakijs. Het schip vaart door een aantal engten. Op 28 februari tracht het weer door te steken naar open water maar het raakt vast en tenslotte helemaal ingesloten op 2 maart 1898. Alle pogingen om het ijs te breken, mislukken. Het komt er nu voor de bemanning op aan de overwintering voor te bereiden. De Belgische ontdekkingsreizigers zullen als eersten overwinteren op de Zuidpool. Op 26 maart gaat de verwarming uit. Het risico is reëel dat het ijs het schip onherstelbaar zal beschadigen. Het pakijs is twee meter dik. Vanaf 12 januari 1899 herleeft de hoop. De mannen werken dag en nacht onafgebroken door om met zagen, houwelen en springstof een vaargeul vrij te maken van 650 meter. Op 14 maart slaagt het schip er eindelijk in de open wateren weer te bereiken.                                                      

 

 

1957 is uitgeroepen tot Internationaal Geofysisch Jaar en er is nood aan een net van wetenschappelijke bases op de Zuidpool. Gaston de Gerlache treedt in de voetsporen van zijn vader. Adrien, en organiseert een tweede Belgische expeditie die de Basis "Koning Boudewijn" zal oprichten. Men vertrekt op 12 november 1957 uit Antwerpen. Gaston de Gerlache heeft twee Noorse schepen bevracht die mensen en materiaal ter plaatse moeten brengen en hen komen ophalen, de "Polarhav" en de "Polarsirkel". Met laatste vaartuig heeft het jaar voordien al gediend voor een Noorse expeditie op Antarctica. De lading omvat 440 ton materiaal in 2350 kisten, 850 vaten brandstof, drie rupsvoertuigen, een vliegtuig en een helikopter. Daarnaast varen 17 mensen, voornamelijk wetenschapslui, mee af. ledereen weet wat hem te wachten staat: 15 maanden op de pool, opgesloten in kleine ruimtes, het weinig opbeurend vooruitzicht van een poolwinter. Na enkele moeilijke vaarmaanden houdt het commando stil in het"Land van Koningin Maud" (26 december 1957). Dit deel van het continent wordt voor het eerst in de geschiedenis te voet verkend. Gaston de Gerlache beslist af te laden en begint aan de installatie van de Basis "Koning Boudewijn".Enkele dagen later starten de wetenschappelijke experimenten. De bemanningsleden openen de kisten, pakken de werktuigen uit, bakenen de onderzoeksruimten af, monteren de precisie-instrumenten en plaatsen de eerste antennes.

Eén maand later wordt de luchtradioactiviteit, de atmosferische elektriciteit en de zonnestraling (automatisch) gemeten. In andere soortgelijke Antarctische stations neemt de installatie maar liefst zeven maanden in beslag, bij de Belgen kan er al gemeten worden amper acht maanden na aankomst.De basis verzamelt heel belangrijke wetenschappelijke waarnemingen. Jacques Loodts en de Gerlache doen geen oog toe als het zuiderlicht te zien is. Henri Vandevelde die gespecialiseerd is in ionosfeer en radiocommunicatie, waakt over zijn ionosfeerpeiler om hoogte, dichtheid en wijzigingen van ionosfeerlagen in de atmosfeer te meten. Luc Cabes, een 50jarige ingenieur en gespecialiseerd in geomagne­tisme, bestudeert de magnetische stormen. Edgard Picciotto meet de luchtradioactiviteit en voert een programma uit m.b.t. het poolijs. Tussen 1972 en 1988 neemt een derde generatie de Gerlache de fakkel over. Ook deze gaat naar de pool, in het zuiden en het noorden, en voert o.m. experimenten uit i.v.m. de menselijke weerstand aan temperatuur en extrême levensomstandigheden.  

 

Wist je ... dat de eerste Braziliaanse spoorweg van 1857 het werk is van de Belgische majoor Vleminck?

 

Op 4 november 1997 verlaten Alain Hubert en Dixie Dansercoer de vestiging van  de  vroegere  Basis "Koning Boudewijn" om de zuid-pool over te steken en aan te komen in de Amerikaans wetenschappelijke basis Mc Murdo, helemaal aan de andere kant van de pool. Veertig jaar na de Engelsman Vivian Fuchs starten de Belgen aan een nieuwe historische veroveringstocht van het zesde werelddeel. Een traject van maar liefst 4000 km, te voet, per ski en dat allemaal zonder bijkomende proviandering. De tocht is wetenschappelijk minutieus voorbereid. De ontdekkingsreizigers besturen grote sleden vol proviand en materiaal, voortbewogen met behulp van reusachtige zeilen. Op 10 februari 1998 omstreeks 23.30 u arriveren zij in Mc Murdo, na een tocht van 99 dagen. Onderweg hebben zij tegenslagen, meevallers, hoop, ontmoediging en enthousiasme gedeeld. Het is een menselijk exploot maar evenzeer een belangrijke wetenschappelijke bijdrage. Alain Hubert en Dixie Dansercoer hebben nl. hun opdracht zorgvuldig uitgevoerd: de studie van de fysieke eigenschappen van de oppervlaktesneeuw. Daartoe hebben zij putten in de ijskorst gegraven, macro-opnamen gemaakt vansneeuwkorrels, sneeuwmonsters genomen en in bevroren toestand naar Frankrijk meegenomen.Samen met klimatoloog André Berger en ijskundige Hugo Decleir heeft Alain Hubert intussen "Polaris" opgericht, een internationale stichting voor de pool. De stichting wil het grote publiek wijzen op het belang van het poolonderzoek, educatieve activiteiten ontwikkelen en informatie en aanbevelingen geven om de oorzaken van de klimaatsverandering aan te pakken en om zich hieraan aan te passen.  

 

Wist je ... dat de Belgische jezuïetenpater Ferdinand Verbiest, als missionaris in China, net observatorium van Peking opricht en meer dan 400 kanonnen laat maken voor keizer Kang-Hi, wiens secretaris hij is?

 

 

Jean Capart die in 1877 te Brussel geboren wordt, wijdt heel zijn leven aan de archeologie en de studie van de Egyptische kunst. Hij schrijft uitzonderlijk veel boeken.Als oriëntalist wordt hij in 1900 benoemd tot conservator van de Egyptische afdeling van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. In 1925 wordt hij hoofdconservator van dit museum en hij slaagt er op enkele jaren tijd in er een van de meest representatieve verzamelingen van Europa te vestigen. In 1923, ter gelegenheid van een bezoek aan Egypte samen met Koningin Elisabeth, stelt Capart voor in België een instituut op te richten om het Egyptologisch onderzoek te promoten.Op 18 februari betreedt de koningin het graf van Toetanchamon en vraagt zij aan de Belgische en Egyptische personaliteiten die haar vergezellen, een fonds op te richten. Dit zou jaarlijks voldoende inkomsten moeten genereren om de Egyptologische bibliotheek van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te vervolledigen. Dankzij de gulheid van de Belgen in Egypte en de steun van koningin Elisabeth slaagt Jean Capart er in de Fondation Egyptologique Reine Elisabeth te stichten. Het Fonds bezit een der mooiste bibliotheken in de wereld, een bewonderenswaardige foto- en diacollectie. Het neemt deel aan de Belgische opgravingen in de Nijlvallei. Bovendien kent net reissubsidies toe, organiseert het conferenties en tentoonstellingen en geeft Chronique d'Egypte uit, evenals tal van wetenschappelijke werken. Jean Capart legt nog de basis voor de opgravin­gen te Elkab, die heel wat jaren zullen in beslag nemen, en sterft te Brussel in 1947.  

 

 

 

Pater Pire wordt op 10 februari 1910te Dinant geboren en sterf op 30 januari 1969 te Leuven.  Als Dominicaner heeft hij steeds gepoogd armoede en ellende te verlichten. Hij wil "de stem zijn van hen die geen stem hebben". In september 1928 treedt hij binnen in het klooster te Sarte (Huy). Hij wordt priester gewijd in Rome, alvorens een doctoraat theologie te behalen. In 1938 richt hij in Huy een dienst familiehulp ("Service d'Entraide Familiale") op om families in nood bij te staan. In 1949 komt hij in aanraking met de ellende van de vluchtelingen uit Oost-Europa. Hij sticht een organisatie die vluchtelingen moet helpen ("Aide aux Personnes Déplacés") en er komen 18000 "peterschappen", 4 homes voor oudere vluchtelingen en 7 "Europese Dorpen". Nadat hij de Nobelprijs voor de vrede gekregen heeft, sticht hij in I960 te Huy "l'Université de la Paix", waar jongeren uit de hele wereld de broederlijke dialoog kunnen komen leren. In 1961 ziet hij in Pakistan de onderontwikkeling en start hij met het programma "Vredeseilanden", waarvan het eerste in 1962 in Bangladesh. Zijn verwezenlijkingen zijn blijven voortleven. Zijn onthaalhuizen pogen jongeren maatschappelijk weer te integreren. Zijn hulp aan ontheemden richt zich nu tot asielzoekers. Zijn ontwikkelingsactie ondersteunt educatieve projecten in de ontwikkelingslanden en zijn "Vredeseilanden" nemen nog uitbreiding. De "Université de la Paix" is intussen uitgegroeid tot een reflectiecentrum en een vormingsinstelling voor de positieve benadering van conflicten.  

 

Henri La Fontaine is jurist van opleiding en verdediger bij uitstek van vrede en rechten van de mens. Hij wordt in Brussel geboren op 22 april 1854. Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit van Brussel wordt hij advocaat bij het Hof van Beroep in dezelfde stad. Als lid van de Belgische Werkliedenpartij wordt hij senator in 1895. Hij is tevens gemeenteraadslid te Brussel (1904-1908) en vice-voorzitter van de Senaat (1930-1936). Hij doceert internationaal recht aan de Universiteit te Brussel en aan het Institut des Hautes Etudes van Parijs. Onder invloed van de theorieën van de Engels pacifist Hodgson Pratt, sticht hij in 1889 de Société Belge pour l'Arbitrage et la Paix en wordt secretaris-generaal. Zijn engagement vertaalt zich ook door aïs medeoprichter te fungeren van het Bureau International de la Paix (Bern -1891), waarvan hij later voorzitter wordt. Met zijn zuster sticht hij in 1892 de Ligue Belge du Droit des Femmes.Zijn inzet voor een vreedzame regeling van geschillen levert hem in 1913 de Nobelprijs voor de vrede op.Na de oorlog blijft hij voorzitter van het Bureau International de la Paix en van de Association Belge pour la Société des Nations. Hij legt zich nadien meer toe op de verdediging van de mensenrechten en sterft op 14 mei 1943.  

 

Jozef de Veuster, de latere Pater Damiaan, wordt geboren in 1840 en groeit op in een   kroostrijk gezin. De familiesfeer met sterke evangelische waarden zal hem diep tekenen. Drie elementen spelen een belangrijke roi in zijn spiritueel leven: vertrouwen in de Voorzienigheid, de constante zorg om op aarde de hemelse zaligheid te verdienen en zijn grote devotie voor de Maagd Maria. Op 18 jaar beslist Jozef zijn leven aan God te wijden. Hij vervoegt de Congregatie van het Heilig Hart en voelt zich aangetrokken tôt het missionarisschap. Hij gaat naar Parijs. Op 19 maart 1864 ontscheept hij in Honolulu en wordt op 2l mei priester. "Pater Damiaan" deelt vanaf dan het leven van de Hawaïanen. Het is een heel zware missie en hij lijdt vaak onder het isolement, waardoor hij noch kan biechten, noch rekenen op menselijke of spirituele steun. Hij bezoekt zieken en ster-venden, onderwijst de catechismus, bouwt ker-ken en kapellen... In 1866 besluit de overheid 600 tot 1000 lepralijders naar het naburige eiland Molokai te deporteren, dit om de ziekte tegen te houden. Op 10 mei 1873 vertrekt ook Damiaan naar dat eiland. Ook hier deelt hij alles met de lepralijders, wier lichaam en ziel hij tracnt te redden. Ook hij raakt natuurlijk aan-getast maar dat zet hem ertoe aan zich nog meer in te zetten om anderen te helpen en om de almachtige God te dienen. Hij sterft op 15 april 1889 in volslagen armoede. Zijn lichaam wordt naar Leuven teruggebracht in 1936. Hij wordt op 4 juni 1995 door Paus Johannes Paulus II zalig verklaard.

  

 

 

Zuster Emmanuelle zal ons steeds verbazen door haar “vitalité!”, haar ruimhartigheid, openheid, humor, verdraagzaamheid en levenslust.Wij zijn er trots op dat zij een Belgische is! Naar eigen zeggen is zij overigens "Belgisch- Zwitserse".., Zij koestert een onwankelbaar vertrouwen in de mens, wat haar toelaat alle  tegenslagen te overwinnen. Ook zij heeft ellende, honger, dood en lijden om haar heen gezien maar zij is nooit ontmoedigd geraakt en is altijd blijven geloven in het leven. In 1932 gaat zij voor 28 jaar naar Istanboel. Tussen 1959 en 1964 vertrekt zij naar Tunesië om de gewonden te verzorgen die vallen in de Algerijnse oorlog. Zij ontdekt in 1965 Egypte en raakt onder de indruk. Zes jaar later beslist ze te gaan wonen bij de voddenrapers van Cairo in de achterbuurt Azber-el-Nakhi.ln 1982 verhuist zij naar "Mokattam", een andere achterbuurt. Deze kleine dame met blauwe ogen en getaande huid, is tegelijk discreet en sterk en weet zich perfect te integreren in een Islamitisch land. Zij is ook uniek want na vijf jaar inzet voor de armen van Caïro krijgt zij dankzij de echtge-note van président Moebarak de Egyptische nationaliteit. Samen met mijn vrienden van de achterbuurten heb ik de wore weugde leren kennen, ver van de vluchtige materialistische genoegens, zegt zij.  

Tal van Belgen hebben stof doen opwaaien in verre landen. Dat geldt o.m. voor Peter Minuit in Noord-Amerika, als derde gouverneur van Nieuw-Nederland in Nieuw-Amsterdam (NewYork) of voor Louis Hennepin, die de La Salle ontmoet en de Mississippi verkent. In Amerika is ook Pater Damiaan bekend, de missionaris van de lepralijders. En als je wat dieper graaft in de geschiedenis van de Verenigde Staten stoot je ook op minder bekende landgenoten, zoals Victor-Eugène-Auguste Janssens die een rol speelt in California of een zekere Hardcoop die omkomt in de karavaan van Donner in Nevada. Maar in de Amerikaanse geschiedenis speelt zeker missionaris Pieter-Jan De Smet een vooraanstaande roi. "Peter-John" mag zich ook nu nog in bekendheid over de plas verheugen.Als jongeman trekt hij in 1821 naar Amerika en wordt hij een pionier als missionaris bij de indianen van het Rotsgebergte. Tot aan zijn dood in 1873 komt hij meermaals tussen in de betrekkingen regering-indianen. Hij staat overigens goed aangeschreven bij katholieken en protestanten. Maar De Smet neemt vooral de verdediging op zich van de autochtone bevolking van Noord-Amerika. Hij is een graag geziene gast bij alle stammen die hem als een medestander beschouwen.

De Smet heeft de verovering van het westen meegemaakt. Deze eenvoudige jongen uit Dendermonde is de eerste Europeaan die in tal van streken komt in het noordwesten van de VS. Hij maakt kaarten van deze onbekende gebieden. Hij komt er nooit als ontdekker of veroveraar maar als missionaris om de indianen te bekeren en vooral als mens die zich net lot aantrekt van de bedreigde autochtone bevolking. Hij ontmoet zodoende tal van legendarische figuren. Hij praat met Lincoln, reist met de pelsjager Thomas Fitzpatrick en slaapt in de tipi van de gevreesde Sitting Bull. Hij krijgt trouwens van hem tal van cadeaus, waaronder indiaanse kleren.  

 

Leopold wenst al langer dat België een kolonie zou hebben. In 1860, als hij nog Hertog van Brabant is, biedt hij Frère-Orban een steen uit Athene aan, met daarop de befaamde woorden: Il faut à la Belgique une colonie. Het bezit van een kolonie wordt immers gezien aïs een politieke, militaire en economische versterking van net moederland. De Europese staten zitten dan in een wedloop naar nieuwe gebieden buiten net continent. Leopold II wil vooral België verrijken. Maar heel snel denkt hij aan een politieke entiteit. En Stanley stelt hem in staat zijn expansionistische visie te realiseren. Hij verbindt Banana en Stanley Pool waar Leopoldstad wordt gesticht. Tussen 1882 en 1883 komen er communicatielijnen tussen Stanley Pool en Stanley Falls. Tal van verdragen worden gesloten met inheemse chefs om de soevereiniteit over te nemen. Het Belgisch koloniaal systeem berust op drie peilers: de koloniale administratie, de katholieke missies en de grote koloniale bedrijven. Op het terrein is de koloniale bestuurder zowel politierechter, belastingsontvanger aïs gezondheidsdeskundige. Tegelijk is hij verantwoordelijk voor de uitvoering van de verplichte teelten, het onderhoud van het wegennet... Het onderwijs is zaak van de missies. De nadruk ligt op lager onderwijs voor allen vooraleer gedacht wordt aan middelbaar en universitair onderwijs. De economische ontwikkeling van de kolonie berust volledig op de grote ondernemingen. Twee derden van de export zijn mijnproducten (koper, diamant, goud) en één derde landbouwproducten (olie, katoen).  Hij is ingenieur, gespecialiseerd in diverse domeinen. Hij legt tal van spoorwegen aan over de hele wereld. Op 23-jarige leeftijd is hij al chef-ingenieur van de Buurtspoorwegen in de provincie Luxemburg. Vanaf 1894 staat hij aan het hoofd van de aanleg van een elektriciteitscentrale in Egypte, van de aan­leg van een tramlijnennet in Cairo en van de spoorwegen in Beneden-Egypte.Tussen 1898 en 1906 legt hij de spoorweg aan tussen Hankow en Peking (200 km). Dan komt hij aan het hoofd van de industrieafdeling van de Société Générale. Snel worden de "Union Minière", de "Compagnie du chemin de fer du Bas-Congo" (spoorwegmaatschappij) en de "Société interna­tionale forestière et minière" (mijn en bosbouw) gesticht.

 

Jean Jadot realiseert dan de spoorweg van Beneden-Congo in Katanga. Het blijft evenwel niet bij spoorwegen. Hij richt ook hospitalen op, woonwijken, medische diensten en scholen voor de autochtone bevolking. In 1912 wordt hij eerste vice-gouverneur en later gouverneur van de Société Générale. De agglomeratie Likasi-Panda heet Jadotville. Hij is doctor honoris causa van de Universiteiten van Leuven en Brussel. Tijdens zijn leven en zijn werk heeft hij steeds oog voor het welzijn en de vooruitgang van de inheemse bevolking.Persoonlijk belang moet wijken voor wat hij omschrijft als "de hoogste zaak van het belang en de toekomst van de gemeenschap".  

Wist je...dat de Belgen in de laatste decennia van de 20ste eeuw metro's bouwden in Manilla, Singaporen, Tunis...?

 

 

De eerste Belgische astronaut

Op 24 maart 1992 vertrekt de eerste Belgische astronout, Dirk Frimout, aan  boord  van   de Amerikaanse ruimteshuttle "Atlantis", met een zevenkoppige bemanning. België juicht en Dirk Frimout wordt meteen een nationale held.Hij wordt als zoon van een piloot geboren op 2l maart 1941 te Poperingen. Hij is gehuwd met Laurence De Nijs en vader van 2 kinderen. Missie STS-45 "Atlantis" moet een reeks van wetenschappelijke experimenten uitvoeren in het kader van het ATLAS-programma ("Atmospheric Laboratory for Applications and Science"). Bestudeerd wordt de dampkring rond de aarde, meer bepaald de wisselwerking tussen zon en aarde. Er wordt zuinig omgesprongen met énergie, zodat de missie 24 uren langer kan duren. Atlantis landt op 2 april 1992 in Florida, na een reis van 8 dagen, 22 uren en 10 minuten. Na zijn vlucht richt Dirk Frimout de "Euro Space Foundation" op om in België de belangstelling voor de ruimte te stimuleren. Daaruit groeien ook de bekende "Ruimteklassen" in het "Euro Space Center" van Transinne (provincie Luxemburg).  

 

Een Belg aan boord van het Internationaal  Ruimtestation

De tweede Belgischeastronaut, Frank  De Winne, gaat op 30 oktober 2002 de ruimte in met de experimentele Russische Sojoezcapsule TMA I. Hij is kolonel van de Luchtmacht en behoort tot het korps van Europese astronauten. Hij is in 1991 overigens al door ons land geselecteerd, samen met 4 andere kandidaten. Twee dagen na zijn vertrek van de "cosmodroom" van  Baikonoer komt hij aan in net Internationaal Ruimtestation (ISS) en start er een omvangrijk wetenschappelijk programma dat door Belgische wetenschappers is ontworpen.Zijn missie wordt immers volledig gefinancierd door de Wetenschapsbeleid.Frank De Winne zorgt trouwens voor enkele primeurs   tijdens   deze "Odissea"-missie. Zo bezoekt hij als eerste landgenoot net ruimtestation, werkt  hij   als   eerste  zowel   in  het Amerikaanse als het Russische deel ervan en is hij de eerste Europese vluchtingenieur in het nieuwe Sojoez-ruimteschip.Hij keert terug op aarde op 10 november 2002 in de steppen van Kazakhstan.  

 

Belgen doen simulaties voor de landing op Mars

De Amerikaanse "Mars Society" installeert twee ruimtemodules om de idee van een toekomstige  bemande Marsvlucht te promoten. Dat gebeurt in uithoeken van de wereld, nl. op het eiland Devon (Noord-Canada),met  het "Flashline Mars Artic Research Station" (FMARS) en in de Utah-woestijn (VS), met het "Mars Desert Research Station" (MDRS). Daar oefenen zeskoppige bemanningen om de grote reis voor te bereiden en voeren zij wetenschappelijke experimenten uit in een "natuurgetrouwe" Marsomgeving. Excursies gebeuren in ruimtepak en het leven aan boord verloopt zoals bij een echte missie. Drie Belgen zijn tot nog toe geselecteerd voor deze experimenten: Dr. Vladimir PLETSER, Pierre-Emmanuel PAULIS en Edwin LOOSVELDT .    

 

2   WETENSCHAPPEN, TECHNIEK, HANDEL

 

SPRAAKKUNST

 

 Dankzij de Bon Usage, waarvan de eerste druk verschijnt in 1936, wordt Grevisse de beroemdste grammaticus van het Frans. André Gide zingt zelfs zijn lof in "La revue Littéraire" van februari 1947. Zijn boek is in eerste instantie bestemd voor de leerlingen die hij correct Frans wil leren, zonder te vervallen in Iaksheid of puritanisme. Het bevat duizenden voorbeelden gebaseerd op gezaghebbende filo-logen en auteurs uit de hele Francofone wereld. Andere linguïsten, zoals André Goosse, die het werk van Grevisse voortzet, en Joseph Hanse, die in 1949 zijn eerste Dictionnaire des difficultés grammaticales et lexicologues publiceert, krijgen eveneens internationale erkenning. Maar vergeten wij evenmin de Vlaming Johan Hendrik van Dale, geboren te Sluis, die in de 19de eeuw zijn naam schenkt aan de "Dikke Van Dale". Het is het belangrijkste Nederlandse woordenboek, de taal die Jacob van Maerlant al hanteert in de 13de eeuw. Vanzelfsprekend kent ons land zijn taaleigen(aardigheden) maar is het niet juist dankzij regionalismen, archaïsmen en Belgicismen dat de gedichten van Guido Gezelle. de romans van Arthur Masson, de Legende van Tijl Uilenspiegel van Charles De Coster of... Le Mariage de Mademoiselle Beulemans zoveel succes hebben gekend.

  

TECHNIEK & WETENSCHAPPEN

 

Hij wordt in 1822 geboren in Mussy-la-Ville, dichtbij Virton. Op zijn 16 is hij in Parijs, waar hij als ober en later als arbeider in een emailleerfabriek aan de kost komt maar waar hij ook avondles volgt. In 1847 vindt hij een pro­cédé uit voor de vervaardiging van wit email, later verbetert hij de elektrolysemethode voor metaalbekledingen, de "galvanoplastie". Eenmaal ingenieur, laat hij diverse uitvindingen brevetteren: elektrische remmen voor spoorwagens, een mechanische kneedmachine en spoorwegsignalisatie.

Zijn groots project om een motor met interne verbranding te maken, wordt afgerond in 1860, met het vastleggen van alle kennis ter zake. Hij vraagt een brevet voor een "motor op uitgezette gas en lucht", eigenlijk het basisprincipe van de tweetakt ontploffingsmotor. De bestellingen stromen toe.

 

 

De gasmotor van Lenoir doet eerst dienst in de kleine industrie maar zorgt later voor een revoutionaire doorbraak. Zo vaart in 1861 het eerste motorschip op de Seine. In 1863 legt de eerste automobiel Lenoir, met gasmotor, de afstand Paris-Joinville (18 km) af in 3 uur. Later laat de uitvinder nog de procédés brevetteren voor het vertinnen van glas, het looien van glas en het telegraferen van tekst. Hij wordt Fransman en sterft in 1900 in La Varenne Saint Hilaire.  

De piloot Camille Jenatzy, geboren te Schaarbeek in  1868, is de eerste die met een voertuig de kaap van de 100 km per u doorbreekt. Het doet dat met "La Jamais Contente", een elektrisch vehikel van eigen fabrikaat. Wij schrijven 30 april 1899, als hij te Archères op de rechte lijn van het park (aangelegd door de stadsarchitect van Parijs) het record van graaf Gaston de Chasseloup-Laubat (92,3 km) van de tabellen veegt. Jenatzy haalt een snelheid van 105,88 km per u in de elektrische torpédo, getekend door Mheins en Ausher. Het tuig lijkt op een obus die hoog op kleine wielen staat. Deze "Jamais Contente" is vervaardigd uit partinium, een legering van aluminium, wolfram en gewalst magnésium. Het chassis komt van "La Compagnie des transports automobiles Camille Jenatzy", het koetswerk van Rothschild en de twee elektrische motoren van Poslet-Vinay, gevoed door Fulmen accumulatoren. De ideale uitrusting voor snelheidswedstrijden, waarin Jenatzy ook tal van prijzen wegkaapt. Hij wint niet alleen in een Mercedes de Beker Gordon-Bennett (1903), hij blinkt evenzeer uit in de uithoudingswedstrijden op de hoogten van Spa. De "rode duivel" is dus een piloot met wereldfaam die, jammer genoeg, omkomt in een jachtongeval in 1913.   

 

Wist je ... dat België de leverancier is van het uranium voor de atoombom op Hiroshima?

   

Zénobe Gramme wordt in Jehay-Bodegnée geboren in 1826.  Hij wordt een autodidactfysicus. Al in zijn jeugd trekt de schrijnwerkerij hem aan. Hij volgt les aan een kleine industriële school en wordt artisanaal schrijnwerker. Hij vestigt zich in 1856 in Parijs als meubel- en modelmaker bij "l'Alliance", gespecialiseerd in elektrische apparaten.

In 1876 vraagt hij een brevet aan voor diverse apparaten om machines op wisselstroom te verbeteren. In 1868 maakt hij de eerste dynamo voor gelijkstroom, het vertrekpunt voor de moderne elektrische nijverheid. In 1870 vraagt hij een brevet aan voor de theorie van de "magnetisch-elektrische machine die gelijkstroom produceert".

 De concretisering van zijn uitvinding gebeurt door de Société des machines magnéto-électri­ques Gramme die hij, samen met zijn vriend Hyppolite Fontaine, opricht in 1871. Het eerste model wordt voorgesteld aan de Académie voor Wetenschap.Tijdens de tentoonstelling van het elektrisch licht in 1881 te Parijs staat Grammes machines in het middelpunt van de belangstelling. Deze voor de verdere aanwending van elektriciteit beslissende uitvinding bezorgt hem mondiale bekendheid.In 1888 krijgt hij van de Académie deVolta-prijs van 50.000 frank, ingesteld door Louis-Napoléon en voorheen al overhandigd aan Ruhmkorff en Graham Bell. Hij wordt officier van het Erelegioen nog voor zijn dood in 1901 te Bois Colombes, dichtbij Parijs.  

 

Wist je .. dat de "vertragingen" bij de uitzendingen van de voorbije wereldbeker voetbal van Belgische makelij zijn?

  

 

Andreas Vesalius, geboren op 30 september 1515 in Brussel als zoon van de hofapotheker. Na een humanistische opleiding te Leuven, ontvangt hij vanaf zijn 18 Galenus-onderricht in Parijs. Alsmaar meer stelt hij de verdraaiingen vast aïs hij de anatomie van de dieren, die hij nauwkeurig bestudeerd heeft, vergelijkt met die van de mens. Hij onderzoekt immers zelf lijken. Hij verkrijgt de titel van Dokter en docent chi­rurgie aan de universiteit van Padua, waar hij een eerste anatomie uitvoert op 5 december 1537. Hij verfijnt nog zijn kennis in Bologna, waar methodisch onderzoek van het menselijk lichaam hem toelaat de vergissingen van het traditionele onderricht recht te zetten. Hij geniet nu van een énorme faam en realiseert in enkele jaren het beroemde basiswerk: "De Humani Corporis Fabrica", voor het eerst gepubliceerd in Basel ( 1543). Hij wordt daardoor ook de lijfarts van Keizer Karel V.

 Tijdens de stormachtige inquisitie wordt hij om zijn theorieën verketterd en ontsnapt hij slechts op het nippertje aan de dood. Hij wordt evenwel veroordeeld tot een boetetocht naar het Heilige Land, waarbij zijn schip op het Griekse eiland Zacynthus vaart. Vesalius sterft er in nooit opgehelderde omstandigheden en wordt er begraven.  

 

België als tweede economische mogendheid in de 19de eeuw

Het boek La Belgique industrielle vormt een indrukwekkende getuigenis van de revolutie in ons land in het begin van de 19de eeuw. Tal van lithografieën in dit boek tonen de verschillende industriële centra die na de onafhankelijkheid gegroeid zijn. In 1830 kent België moeilijke economische tijden. Nochtans zijn er de eerste tekenen van economische activiteit en van ondernemingslust.Tussen 1833 en 1848 groeit de juridische vorm van naamloze vennootschappen als beheersvorm van het kapitaal. Tussen 1833 en 1838 zijn het er al 151. Vooral in het noorden voelen de inwoners van België zich nog sterk verwant met Nederland want dat biedt hen een venster op de wereld. In 1835 wordt de eerste spoorweg tussen Brussel en Antwerpen ingehuldigd, een heel belangrijk feit. Daardoor komen er doorvoermogelijkheden. Het nieuwe vervoermiddel komt er ook dank-zij verschillende sectoren: kolen, metaal en staal. Tal van lijnen worden gelegd. De banksector kent eveneens een sterke expansie. De Generale Maatschappij en de kortstondige Bank van België bruisen van activiteit. In 1847-1848 slaat echter de crisis toe en wel om diverse redenen. Zo produceren de Engelsen lijnwaadproducten aan zeer lage prijzen en de Belgische industrie kan daarmee niet concurreren. En dan is er de aardappelcrisis, omwille van het weer en ziekte, waardoor er honger is. Daardoor ontvluchten steeds meer mensen het platteland. De nijverheid heeft dus steeds meer mankracht. De volgende jaren loopt deze crisis uit op een overwinning van het liberalisme. 

 

 

De celtheorie wordt in België geboren

De spierbalans die Theodor Schwann gebruikt bij zijn studie van de kracht en de samentrekking van spieren, vormt slechts een heel klein deel van het werk van deze eminente anatoom-fysioloog. Hij wordt geboren in het Duitse Neuss am Rhein in 1810. Hij studeert natuurkunde en geneeskunde aan de Universiteit van Bonn en die van Berlijn, waar hij zijn doctoraat behaalt in 1834. Hij wordt in 1839 professer anatomie aan de Leuvense Universiteit en is nadien verbonden aan de Universiteit van Luik tot aan zijn dood in 1848.Schwann houdt zich met verschillende domeinen bezig. Zo bestudeert hij het functioneren van de spier, ontdekt pepsine, buigt hij zich over het verschijnsel van de alcoholische gisting en reiniging en schenkt hij zijn naam aan het omhulsel van de zenuwcellen. Hij vindt ook een ademhalingstoestel uit voor mijnwerkers, dat bestaat uit een zuurstoffles en een absorptietrommel met bevochtigde kalk.Niettemin is de microscopische observatie van de cel het belangrijkst in zijn carrière. Hij is de eerste die een verband ziet tussen plantaardige en dierlijke cellen en die vaststeit dat alle leven-de wezens opgebouwd zijn vanuit een zelfde basis. Schwann overlijdt in 1882 in Keulen.  

 

Jan-Servaas Stas

Hij wordt in Leuven geboren op 2l augustus 1813 en behaalt er het diploma van doctor in de  geneeskunde. Hij zal evenwel nooit een praktijk uitoefenen omdat hij zich meteen met scheikunde gaat bezighouden. Hij vertrekt in 1837 naar Parijs waar hij aangenomen wordt door het laboratorium J.B.A. Dumas. Samen herdefiniëren Dumas en Stas het atomisch gewicht van koolstof en komen aan een bijna exact veelvoud van het atomisch gewicht van waterstof. Voor hen betekent dat de bevestiging van de stelling van Prout (1815) dat alle atomen opgebouwd zijn uit een primitief element, nl. waterstof. In 1840 wordt Stas scheikundedocent aan de Koninklijke Militaire School te Brussel. Hij maakt thuis een laborato­rium waar zijn metingen op verschillende elementen hem ertoe aanzetten de theorie van Prout te verwerpen.Toch blijft hij geloven in een soort eenheid van de stof. Na de vergiftiging met nicotine van Graaf Hippolyte Visart de Bocarmé in 1850, stelt Stas tevens een detectiemethode op punt van plantaardige alkaloïden, nadien aangepast door F.J. Otto en goed bekend als de Stas-Otto methode. Hij blijft aan de Militaire School tot in 1865 aïs hij zich gedwongen ziet op te stappen, omwille van een aandoening van de larynx die hem het spreken bemoeilijkt. Hij is nadien verantwoordelijke voor de Munt van 1865 tot 1872 en lid van het Internationaal Comité voor Maten en Gewichten (1877-1879). Hij blijft in Brussel wonen waar hij op 3 december 1891 overlijdt.  

 

Wist je ... dat er in dit land maar liefst 1130 bedrijven zijn geweest die motoren hebben geproduceerd?

 

De fenakistiscoop is een van de voorlopers van de cinema. Het apparaat bestaat ut een eenvoudige schijf met spleten waardoor de verschillende etappes van een beweging worden ontleed. Om de beweging te herstellen moet de kijker zich opstellen tegenover een spiegel, met zijn ogen op het niveau van de sple­ten. Door het karton te draaien laten de sple­ten slechts een heel kort moment het beeld zien. Daardoor ontstaat de indruk van een beweging.

De uitvinder hiervan, Joseph-Antoine-Ferdinand Plateau wordt op 14 oktober 1801 te Brussel geboren. Op het Atheneum van Brussel krijgt hij o.a. les van de beroemde mathematicus Adolphe Quetelet, met wie hij in nauw contact zal blijven.

In zijn favoriet domein, de optica, doet hij tal van experimenten op de fysiologie van het gezicht. Hij poneert als eerste de theorie van de bestendigheid van het netvlies (1829), waarna hij de fenakisticoop uitvindt. Zij toewijding aan de wetenschap en zijn verregaande experimen­ten bezorgen hem ook de"ultieme" ervaring: hij verbrandt zijn netvlies als hij in 1928 naar de middagzon zit te kijken. Hij wordt 14 jaar later overigens volledig blind.

Met de hulp van zijn medewerkers zet Plateau evenwel zijn research verder, o.a. met betrekking tot de verschijnselen van capillariteit. Hij overlijdt op 15 september 1883.

 

De grote kanunnik Georges Lemaître, geboren in Charleroi in juli 1894.  In 1920 behaalt deze merkwaardige geleerde er zijn doctoraat fysica en wiskunde. Na studies aan het seminarie van Mechelen, wordt hij priester in 1923. Hij studeert verder te Cambridge en voigt stage aan het Harvard Observatorium in de VS, onder de leiding van niemand minder dan Albert Einstein. Lemaître wordt, als bekend astrofysicus, vervolgens pro­fesser aan de Universiteit van Leuven (1927). Daar publiceert hij zijn geruchtmakende theo­rie van een expanderend universum sinds de oerknal (de "big bang"). Een heel gewaagde the­orie die evenwel snel door de Amerikaanse astronoom Hubbles zal bevestigd worden, een-maal deze de melkwegen met reusachtige tele-scopen bestudeerd heeft. Later zet de Amerikaanse satelliet Cobe in 1990 de al in 1931 geformuleerde theorie rond de vorming van het heelal, nog meer kracht bij. Lemaître wordt voorzitter van de Pauselijke Academie in 1960 en blijft dat tot aan zijn dood in 1966. Hij maakt ook deel uit van meerdere universiteiten en academies in het buitenland. Om zijn theorieën te ondersteunen maakt Lemaître gebruik van een indrukwekkend informaticamodel dat de hedendaagse voorstanders van compactheid doet glimlachen. Dat belet de kanunnik evenwel niet een essentiële bijdrage te leveren tot de wetenschap.   

Wist je ... dat het Vrijheidsbeeld in New York bevestigd is met bouten uit Huy ?

   

Een revolutie in de microscopie

 De electronische microscoop Siemens Elmiskop I is in 1957 ter beschikking gesteld door het NFWO aan meerdere onderzoekers  om binnen de  Katholieke Universiteit van Leuven biochemisch en morfologisch onderzoek van de intracellulai­re micro-organismen mogelijk te maken. Het illustreert de ommekeer in de microscopie in het midden van de 20ste eeuw dankzij deze techniek die vergrotingen tot 30.000 maal mogelijk maakt.Meteen wordt er in de studie van de celbestanddelen vooruitgang gemaakt, wat in 1974 twee Belgische wetenschappers, Christian de Duve en Albert Claude, (samen met de Roemeen Georges Palade) de Nobelprijs Geneeskunde en Fysiologie oplevert. Albert Claude wordt op 23 augustus 1899 geboren en hij bepaalt de mitochondriale plaat-sing van de enzymen en cytochromen die verantwoordelijk zijn voor de dehydrogenatie en het waterstoftransport bij de cellulaire ademhaling. Hij is de eerste die er in slaagt een kankervirus te isoleren (1933) en te fotograferen. Hij overlijdt te Brussel op 22 mei 1983. Christian de Duve wordt tijdens de Eerste Wereldoorlog in Londen geboren, waar zijn ouders naartoe zijn geviucht. Hij stelt de technieken op punt voor centrifugeren en scheiden van cellulaire micro-organismen, wat hem toelaat het bestaan van lysozomen en peroxyzomen aan te tonen. Hij staat momenteel aan het hoofd van het Instituut voor Celpathologie dat zijn naam draagt.  

 

Omstreeks 1850 wordt nog heel wat erfgoed gebruikt in de agrarische sector. Maar intussen zijn er nieuwe  constructiemogelijkheden gekomen dankzij de industriële revolutie en die laten toe beter materiaal te vervaardigen, waarbij meer metaal wordt gebruikt. Daardoor gaan de voorvaderen van de familie Mélotte zich interesseren voor landbouwmateriaal en zij stichten een weldra bloeiende onderneming. In 1852 begint Guillaume Mélotte met een fabriek voor ploegen en dorsmachines. Het wordt een succes, dankzij tal van innovaties. Bij zijn dood in 1878 nemen Alfred en Jules de zaak over en zorgen eveneens voor allerhande vernieuwingen. De jongste, Jules, is gepassioneerd door mechaniek en fysica en realiseert vanaf 1878 zijn eerste uitvindingen. Zo wil hij een centrifugale ontromer verbeteren die hij gezien heeft op een landbouwtentoonstelling. Hij slaagt er in een snellere machine te maken die betere room aflevert en minder energie vergt. De ontromer Mélotte is een feit, het begin van een succes-story die Mélotte wijd en zijd bekend zal maken. Als Jules in 1919 overlijdt, staat Alfred er alleen voor maar hij gaat door tot in 1943. De firma Mélotte is nog steeds een begrip in de landbouwsector.  

De Belgische motorindustrie mag prat op gaan op heel wat staaltjes van vernuft die overal ter wereld uitblinken in de motorcross of op het motorcircuit. Er zijn tal van construc­teurs maar het verdwijnen van Minerva in Antwerpen is een slag voor de sector. In Vlaanderen moeten voortaan alleen de motor-fietsen van Flandria het vaandel hooghouden. Wallonie kent eigenlijk drie groten die alle in het Luikse bekken gevestigd zijn: FN, Saroléa en Gillet. Dankzij het betaald verlof vanaf 1936 doen zij gouden zaken. Saroléa begint in 1898 met de productie van tweewielers en kent veel succes, evenals Gillet dat er in 1919 komt. In 1960 vinden beide mekaar. De "demoiselles de Herstal", befaamd om hun elegantie, rijden over alle Europese wegen en blinken uit in tal van competities. Zo wordt 1953 een topjaar voor de Belgische piloten die de drie eerste plaatsen bezetten in het Wereldkampioenschap motorcross in de 500 cc-klasse. Het gaat om Gust Mingels (FN), René Baeten (Saroléa) en Victor Leloup (FN). België staat tot 1914 aan de spits van de automobielindustrie. De  ontmanteling van een aantal bedrijven en het naoorlogs protectionisme zullen evenwel de doodsteek betekenen voor heel wat Belgische constructeurs. Minerva is ongetwijfeld het paradepaardje van de sector en deze prestigewagens weten diverse Hollywoodsterren te verleiden. De eerste Minerva komt er in 1899 en de ontwerper, Sylvain de Jong, verzamelt voldoende kapitaal om de productie op te starten. In 1903 ontstaat in Antwerpen "Minerva Motors". Binnen de kortste keren stelt de fabriek 550 mensen tewerk, produceert zij 30 wagens, 6000 kleine wagentjes en bijna 6000 motors en motoren. Op het Salon van Londen in 1908 presenteert Minerva het befaamde model zonder kleppen. In 1912 telt de fabriek al 3000 werknemers. Na de oorlog worden de activiteiten hervat en zo ziet in 1922 de beroemde radiatorstop "Minerva" het licht. Het is een creatie van dekunstenaar Pieter de Soete. Tezamen met de Luikse merken FN en Imperia, die het eveneens (tijdelijk) goed doen, concentreert Minerva zich op de prestigewagen. Een droom voor de liefhebbers van boeiende mechaniek en aantrekkelijke vormgeving!   

 

Wist je ... dat België de grootste baksteenfabrikant is met de ruimste keuze?

 

Adolphe Quetelet is academicus, al astronoom, meteoroloog en statisticus. Deze Gentenaar ligt ook aan de basis van de oprichting van het Koninklijk Observatorium te Brussel, waartoe besloten wordt in 1826 en dat gerealiseerd wordt in 1832. Van meet af aan begin Quetelet met regelmatige waarnemingen i.v.m. temperatuur, vochtigheid, luchtgesteldheid en atmosferische druk. Als vermaard statisticus publiceert hij in Parijs zijn belangrijkste werk, met als titel "Sur l'homme et le développement de ses facultés, ou Essai de phyique sociale" ("Over de mens en de ontwikkeling van zijn mogelijkheden, of Essay over sociale fysica"). Hij wordt een baanbreker in de toepassing van statistische methodes op menselijke fenomenen. Een benadering die praktische toepassingen vindt bij het toezicht op de bevolkingstelling te Brussel (1842) en de algemene bevolkingstellingen van het koninkrijk vanaf 1846. Quetelet gelooft in internationale samenwerking en ligt in 1853 aan de basis van het Eerste Internationaal Congres van de Statistiek, waar getracht wordt méthodes en definities op mekaar af te stemmen. In hetzelfde jaar zit hij een eerste maritieme conferentie voor om tot een uniform systeem te komen van meteorologische waarnemingen op zee. Hij oefent tal van functies uit en publiceert enorm veel, waardoor hij zowel in binnen- als in buitenland een grote invioed heeft op de wetenschappelijke ontwikkelingen.  

 

Hij wordt in 1790 in Groot-Brittannië geboren en maakt vanaf zijn kindertijd kennis met Wallonië. Zijnvader bezit er immers fabrieken waar kaardmachines en wolspinmachines gemaakt worden. Hij richt later de eer­ste geïntegreerde staalfabriek van Europa op in Seraing, waar hij zich in 1871 vestigt en kasteelheer wordt. Op dat momnet zijn de metaalbe-drijven weinig productief en koning Willem der Nederlanden vraagt Cockerill de staalsector in het Maasbekken tot ontwikkeling te brengen. De eerste revolutionaire stap die de ondernemer zet, is de vervanging van de hoogoven op hout door een op cokes. John Cockerill is ook een voorloper wat spoor-materiaal betreft en hij heeft een inbreng in de ontwikkeling van het Belgische spoorwegennet in de dertiger jaren. Zo komt de eerste in België geproduceerde locomotief, "Le Belge", in dienst vanaf 1835 op de eerste spoorwegverbinding van het continent, tussen Brussel en Mechelen. De industriële ontwikkeling gaat verder dankzij een heus industrieel complex dat in 1838 dichtbij de steenkool en de haven wordt ingeplant. Jammer genoeg komt er een financiële crisis en kan Cockerill niet meer de nodige kapitalen vinden om zijn industrie te handhaven. Hij sterft aan tyfuskoorts in 1840 aïs hij op reis is in Warschau. De namen van zijn opvolgers, Eugène Sadois en nadien Adolphe Greiner, worden vereeuwigd aan de Maaskaaien. Op dit moment behoort het vroegere Cockerill-imperium tot de groep Arcelor.  

 

De Belgen hebben niet alleen een baksteen in hun maag, ze hebben er ook een in hun hoofd. En dat heeft  niets te maken met mentale verstarring maar wel met het succes van de Belgische bouw in het buitenland. Zo is de firma die alle berekeningen uitgevoerd heeft voor de bouw van het viaduct van Millau het Luikse studiebureau Greisch, dat eerder al zijn sporen heeft verdiend bij de realisatie van de brug bij de verbinding van de E-40 en E-25 auto-wegen.Het heeft ook de techniek ontwikkeld om de brug eerst op "vaste grond" te bouwen en dan over de"leegte" te duwen via hydraulische weg. Hoeft gezegd dat het om een heel delicate operatie gaat?  

De Brusselse bijna honderdjarige firma Besix is actief geweest op tal van werven, waar ook ter wereld (Nederland, voormalige Oostblok, Verenigde Arabische Emiraten). Zij is momenteel betrokken bij de bouw van de Burj Dubai, die met zijn meer dan 700 meter de hoogste toren van de wereld moet worden.Tegen eind 2009 moet de klus geklaard zijn.Een volledige lijst van exporterende bouwfir-ma's is onbegonnen werk. Naast Franki en Tractebel zijn er dat talloze. Kortom, onze "baksteen" is overal gegeerd...   

 

Wist je ... dat de vingerafdrukken in de archieven van het FBI gestockeerd worden met behulp van een mathematisch model dat door de Belgische Ingrid Daubechies is ontwikkeld?

 

 

De stichter van de dynastie,  Christoffel Plantijn, wordt waarschijnlijk in 1520 in de omgeving van Tours geboren. Hij gaat in de leer bij drukker Robert Macé te Caen om het beroep van drukker en boekbinder te leren. Na enkele jaren boekhandelaar te zijn geweest in Parijs, vestigt hij zich in 1549 te Antwerpen, op dat moment na de Franse hoofdstad de meest bloeiende stad in Europa. Hij begin er als lederbewerker met de vervaardiging van banden, koffertjes, kistjes, juwelenkistjes, etuis enz... Vanaf 1555 wordt hij druk­ker. Tot 1562 publiceert hij maar een bescheiden aantal uitgaven. In 1563 sticht hij, tezamen met enkele rijke burgers, een uitgeverij. Hij kan daarbij rekenen op Cornélius en Karel Van Bomberghe, de bankier Jacques de Schotti en dokter Goropius Becanus. Plantijn wordt direc­teur en uitbater. In vijf jaar publiceert hij 260 werken, klassieke auteurs, bijbels in het Hebreeuws en liturgische werken. Dankzij kardinaal Granvelle en Gabriel de Cayas, de secretaris van Filips II, begint hij aan zijn belangrijkste werk: de bekende Meertalige Bijbel ( 1567). Na de publicatie hiervan wordt hij tot hoofdtypograaf van de koning benoemd en krijgt hij het monopolie voor het drukken van liturgische werken in Spanje en zijn bezittingen.Vermits hij zelf geen zoon heeft, bevoordeelt Plantijn zijn schoonzoon Moretus, de echtgenoot van zijn tweede dochter. Hij draagt aan hem drukkerij en winkel over, vooraleer hij sterft op 1 juli 1589. Hij wordt begraven in de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal. Zijn faam gaat over heel Europa. Hij heeft maar liefst 50 uitgaven per jaar uitgebracht, in totaal 1500 publicaties. Na de dood van Plantijn zet Jan Moretus de drukkerij verder. Hij treedt in de voetsporen van zijn voorganger en brengt, helemaal in de traditie, heel verzorgde publicaties uit. Tussen 1610 en 1641 is evenwel Balthazar Moretus de meest bekende in de Plantijn-dynastie. Hij zorgt voor nieuwe impulsen. Na hem wordt de uitbating van het monopolie op liturgische boeken de belangrijkste bezigheid van de hoofdtypografen. In 1876 zet de uitgeverij er een punt achter en wordt zij opgekocht door de stad Antwerpen. Na haar omvorming tot museum herbergt zij nu een rijke collectie aan matrijzen, graveerstiften, hout- en koperwerk en niet minder dan 30.000 uitgaven. 

 

 
 

TOERISME

Oostende, de Koningin der Badsteden, centrum van lichtzinnigheid en van het mondaine, zet haar beste beentje voor om de vakantiegangers tegen het einde van de 19de eeuw te verwelkomen. Een dergelijke uitstap is dan nog voorbehouden voor de rijken. Het zal tot in 1936 duren eer, met de invoering van de betaalde vakantie, het massatoerisme en de trek naar de kust losbarsten. De "kusttrein" zit eivol. De verhuurders van strandcabines wrijven zich in de handen. Zij zijn een Belgische uitvinding die aanslaat bij de zonnekloppers.De ideale gelegenheid om wat fysieke beweging te hebben in een jodiumrijke omgeving. En om dus de gehuurde pedaalgocarts van stal te halen, nog zo een Belgische vondst.Belgen zijn overigens heel creatief als het om vakantie gaat. Al in 1910 lanceren Frank en Ben Dumont de rage van de zeilwagens, die op dat moment sneller zijn dan de automobiel. Aan de kust van De Panne vinden zij een zee van ruimte...  

Gérard Blitz, neef van de gelijknamigezwemkampioen, wordt in 1912 geboren. In 1949 vraagt hij een zekere Gilbert Trigano hem tenten te leveren voor een vakantiekamp. Met jaar daarop staat er een aantal tenten op het strand van Mallorca op de Balearen en ziet de vzw Club Méditerranée het licht die binnen de kortste keren 2000 leden telt. In 1952 komt er een vakantiedorp, geïnspireerd op Polynesische hutten, op Korfoe in Griekenland. En twee jaar later is Djerba in Tunesië aan de beurt. Gilbert Trigano wordt van leverancier nu boekhouder van de vereniging. En zo groeit in 20 jaar het eerste toeristische imperium, letterlijk gebouwd op zand en bestemd voor nieuwe Robinson Crusoe's. In de Club Méditerranée heerst een speciale relatie tussen organisatoren en leden, waarin samenhorigheid, enthousiasme, hartelijkheid en sport centraal staan. Op criticasters die hem sim­plisme en de wat aangebrande slogan "zon en meisjes" verwijten, repliceert Gilbert Trigano dat hij eigenlijk de ontdekker is van magische oorden: Cancun in Mexico, Agadir in Marokko, Djerba in Tunesië...Gérard Blitz is in 1990 overleden en heeft een waarachtig imperium achtergelaten, dat hij ooit kwalificeert als "tegengif voor de beschaving".   

 

DESIGN

 

Design??? De naam dateert al van het midden van de 20ste eeuw en valt niet zo makkelijk te definiëren. Vaak wordt het woord daardoor verkeerd geïnterpreteerd.Toch is het mogelijk de essentiële noties van het concept op een rijtje te zetten. Zo is design industrieel (industriel fabricage), eventueel decoratief (meubilair...) en/of technisch (auto, trein...). Belgische projecten zoals Design Vlaanderen, Designed in Brussels, zijn designparcours en de internetsite Design addict... willen designers promoten in België en elders. Na de dominantie van plastiek (60er jaren) en textiel (70er jaren) pogen designers in het vol-gende decennium tot meer functionele en alledaagse benodigdheden te komen. Zij worden trouwens ook als designers beschouwd en zullen bijdragen tot de spectaculaire ontwikkeling van hun specialiteit op internationaal vlak. In Vlaanderen is Maarten Van Severen (1956) ongetwijfeld het boegbeeld, met ook internatio­nale uitstraling. Zijn eerste realisaties komen er midden '80. Hij wordt beschouwd als een "compromisloze designer die zich noch door machi­ne, noch door technologie laat beïnvloeden". Hij verkent ook constant nieuwe einders. De stoel Van Severen kan door een kenner makkelijk als dusdanig worden geïdentificeerd en dat is een mooi en blijvend eerbewijs voor deze talentvolle designer die verliefd is op de vorm. Belgische design floreert en dat is zeker ook te danken aan Vlaamse designers als Philippe Neerman (Citadis tramway Lyon), Eric Symons en Maxime Szyf (Samsonite), Vic Cautereels en Bob Daenen (Tupperware), Patrick Hoet (brillen), Axel Enthoven (Opel), Stephan Winteroy, Jan Van Lierde (Kreon), Weyers en Borms... Wallonië herbergt tal van beloftevolle desig­ners. Damien Gernay, Magali Vernier, Delphine Mainil, Manon Legros zijn er maar enkele van. Henriette Michaux mag al beschouwd worden aïs een vaste waarde.Ook Brussel schittert met Danny Verlet, Xavier Lust, Alain Berteau, Pol Quadens en Charles Kaisin (l972),...Deze laatste concentreert zich op recyclage en wil objecten een tweede leven schenken. Zijn werk baseert zich op het principe van de extensie, zoals bij zijn witte, moduleerbare en vergrootbare bank met de structuur van een bijennest. Zijn laatste vondst, de Pingolingo zakken (licht en waterafstotend, met tal van gebruiksmogelijkheden), kent bijv. in Japan veel succes.  De lederzaak Delvaux, dit jaar ook heeft zich opgeworpen als het synoniem van vakkennis en traditie.Deze reputatie laat Delvaux toe de nadruk te leggen op elegantie en de hedendaagse creativiteit volop aan haar trekken te laten komen.

Elk product wordt artisanaal vervaardigd, helemaal in de traditie van het met de hand maken in de Delvaux-ateliers te Brussel.

Met meest bekende model, de "Brillant", komt er t.g.v. de Wereldtentoonstelling van 1958 en isook nu nog ongeëvenaard. De huidige collecties omvatten ook kleinere lederwaren, zoals portefeuilles, foulards, sjaals, handschoenen enz...Delvaux heeft tal van winkels in België, maar ook in Duitsland, de VS en in Japan.  Kledingsgewoonten  vormen  al   heel lang de weerspiegeling van sociaal gedrag. De mode kent in elk tijdperk haar eigen karakteristieken, ook al is zij eeuwenlang eerst en vooral een zaak van de hogere klassen. Deze standen benadrukken immers door de fijnste stoffen en de meest indrukwekkende sieraden hun sociale rang. Mode raakt pas echt gedemocratiseerd in de Golden Sixties, dus amper enkele decennia geleden. Dan wordt definitief gebroken met tradities, conformisme en starheid, en worden zelfs de meest stringente criteria in vraag gesteld. Kleuren en vormen krijgen hun terechte plaats. Mode komt in het bereik van ieder-en, zij wordt "lichter" en vormt de uitdrukking van de rijke en verleidelijke creativiteit van dynamische en vernieuwende couturiers. Ook België ontsnapt niet aan deze creatieve "besmetting" en de mode "Made in Belgium" schittert vanaf dat moment binnen ons uitvoer-pakket. Dankzij engagement, zin voor estheti-sche eigenheid en rijke creativiteit slagen sty-listen, couturiers en accessoireontwerpers van bij ons er in het monopolie van Parijs, Londen en Milaan de doorbreken. Hun creaties vind je nu zowat overal ter wereld.  

Een pionier

De Antwerpse Ann Salens wordt beschouwd als de pionier van de moderne Belgische mode. Einde zestiger jaren start zij met een kleine boetiek en (vooral) een heel eigen stijl. Haar exclusieve japonnen worden een begrip tot ver over de landsgrenzen en kleden groten van toen, zoals Juliette Gréco, Françoise Dorléac, Prinsen Paola, Ann Christ... Toch laat een echt wijdverspreide renommée van de Belgische mode nog even op zich wachten.  

Film en sterren

De wedstrijd "De Gouden Spoel" geeft vanaf 1982 de sector de wind in de zeilen en jonge ontwerpers vinden daarin de uitdaging om het beste van hun talent te tonen. De Antwerpse Académie werpt zich als snel op tt absolute trendsetter en levert nog hetzelfde decennium een uitzonderlijke generatie af. De "Bende van Zes" verovert in 1987 te Londen de "British Designer Show". Voortaan zijn Ann Demeulemeester, Dirk Bikkembergs, Dirk Van Saene, Dries Van Noten, Walter Van Beirendonck en Marina Yee een begrip in modeland. Ann Demeulemeester (°1954) voert in eerste instantie dit gezelschap aan. Haar duidelijk gestileerde kleren zijn te vinden in 200 boetieks over de hele wereld. Dries van Noten (° 1958) blijkt de kampioen van superpositie en exo­tisme. Creaties van hem ontdek je in 25 landen, waar 500 verkoopspunten een 100.000 exemplaren over de toonbank doen gaan. Walter van Beirendonck (° 1957) is bij leven al een legende, dankzij een uitgesproken ludieke en kleurrijke excentriciteit. Voor de zanger Bono ontwerpt hij in 1992 een podiumoutfit, voor de creatie "Mot Strictly Rubens" van het Ballet van Vlaanderen de kostuums (2003).  

De "spullen" van Bruce Springsteen

Met is ook Antwerpen wat de klok slaat in de wereld van de film en showbusiness. Dat gebeurt in eerste instantie nog via Martin Margiela. Hij is de meester van het "deconstructionisme" en het "work in progress", gebaseerd op intégrale recuperatie. Ook via het witte doek doet hij van zich spreken, o.m. met de kostuums voor de film "The Pillow Book" van Peter Greenaway. Vanaf 1998 wordt hij stylist van prêt-à-porter vrouwenkleding bij het huis Hermès.Sterren zoals Bruce Springsteen, George Michael en Paul McCartney dragen nu Antwerpse "spullen".  Een absoluut succesvrehaal voor de Antwerpse Academie die, in de persoon van directrice Linda Coppens, in 2003 zelfs door "Time" in de bloemetjes gezet wordt. De school wordt meteen verheven tôt mijlpaal in de internatio­nale ontwikkeling van de mode. En dankzij de directrice wordt Antwerpen de Europese hoofdstad van de alternatieve mode... 

 

De School van La Cambre

Deze wordt opgericht in 1986 om de stilistische creativiteit aan francofone kant een zetje te geven. Directrice Françoise Fairon zorgt meteen voor een welverdiende renommée en dat is nog maar het begin. Zo creëert Olivier Theyskens, één van de hoogvliegers, de jurk die Madonna draagt tijdens de Oscaruitreiking. Maar er is natuurlijk ook Véronique Leroy. Deze Luikse styliste behaalt in 1989 de Gouden Spoel en breekt dan volledig door op de internationa­le scène. "Kitsch" is haar toverwoord en zij vindt, naar eigen zeggen, inspiratie bij de kassierster van het grootwarenhuis. Zij kleedt o.m. Axelle Red. Sedert enkele jaren onderscheiden de afgestudeerden van La Cambre zich met de regelmaat van een klok op het prestigieuze "Festival International des arts de la mode" in Hyères (Azurenkunst).Maar ook de stylisten van de hoofdstad laten van zich horen. Op de podia van Parijs, Trieste of elders zorgen zij, evenals hun Vlaamse en Waalse collegae, voor een ongekende interna­tionale roem van de Belgische mode. 

 

Een voorloper

Al in 1979 laat Olivier Strelli zich opmerken in Parijs. Zijn succesrijk défilé van 1985 heet niet zomaar "Een Belg in Parijs". Geboren in 1946, inspireert Strelli zich op Afrikaanse kleuren en wordt hij vaandeldrager van de Belgische mode. Zijn naam wordt uitgedragen door 500 verkoopspunten! In 1989 en 1999 creëert hij het uniform van de Sabena-hostessen. En in 2004 zorgt hij voor de kledij van de Franse nationale voetbalploeg, buiten het veld wel te verstaan. Creaties van hem vind je in de garderobes van Koningin Paola, Prins Filip en Prinses Matilde. Maar ook Mick Jagger van de Rolling Stones doet een beroep op Strelli voor de wereldtournee "Bridge to Babylon" (1997). Een succesverhaal zonder weerga en evenzoveel invloed op jonge Belgische couturiers!  Verder is er Gérald Watelet (° 1963), couturier van Koningin Paola, en Edouard Vermeulen van het huis Natan die zijn faam vestigt met de huwelijksoutfit van Prinses Matilde.  

 

 

Van de wieg tot het graf

Internationale bekendheid genieten evenzeer Belgische ontwerpers van cérémonie- en kinderkleding. Namen als Natan, Gérald Watelet, Nina Meert, Johanne Riss, Mieke Cosyn, Linea Raffaeli, Mer du Nord of Oni Onik klinken als een klok. Een duurdere prijsklasse maar tegelijk een immense populariteit voor deze Belgische creaties.  

 

Accessoires om U tegen te zeggen

Lederwaren Delvaux en het product bij uitstek, de damestas (bijv. de "Brillant" van 1958, t.g.v. de Wereldtentoonstelling), zijn al vanaf 1829 een begrip op de internationale markt. Belgen spelen dus een even vooraanstaande rol in net domein van de accessoires. Dat geldt eveneens voor de desbetreffende producten van Olivier Strelli: schoenen, par­fums, brillen, huishoudlinnen... En Ambiorix-schoenen, ontstaan in Verviers en nadien geproduceerd in Tongeren, kent men in Tokio, Londen, Parijs of deVS.  

Hallo...Elvis Pompilio (° 1961 ) is het boegbeeld van een hele vernieuwende en vruchtbare generatie. In 1987 creëert hij een eerste hoedencollectie. Meteen een jonge ingreep in een ietwat vastgeroeste stijl en ook meteen een schot in de roos. Zijn naam raakt verbonden met de grootste ontwerpers van prêt-à-porter in België (Demeulemeester, Leroy) en elders (Chanel!). Hoeden van Pompilio vind je nu van New York tot Tokio, met trouwe klanten als Joan Collins en Yannick Noah!  

The final touch

Bij mode horen modellen en ook België heeft een topmodel. Ingrid Seynhaeve heet zij en zij is geboren in 1977.Vogue, Elle, Harper's Bazaar en Sports Illustrated zijn maar enkele grote magaz­ines waar zij op de voorpagina staat. Zij poseert voor merken als Ralph Lauren, Christian Dior, Anne Klein, Bleumarine, Nivea en Biotherm. En de aflossing van de wacht meldt zich al. Zo ontwerpt de jonge Hasseltse stylist Stijn Helsen de outfit van Spider Man 2 die te bewonderen valt op het grote scherm vanaf juli 2004.  

 

 

 

3 KUNST    

 

 

 

KUNSTWERKEN

 

 

Karel de Grote blinkt tijdens zijn regering uit op het vlak van administratie en wetgeving. Zo benoemt hij koninklijke commissarissen (missi dominici) die in de provincies de koninklijke besluiten moeten gaan toelichten. De landbouw hervat. Nieuwe gronden worden in gebruik genomen en de landbouwtechniek ontwikkelt zich. De naam van Karel de Grote wordt ook verbonden aan een culturele, intellectuele, morele en godsdienstige herleving: de Karolingische renaissance. Cultureel wil hij weer aanknopen met de bloei tijdens het Romeinse Rijk. Daarom draagt hij geleerden op de manuscripten te herstellen die uit de Griekse Oudheid komen en gewijzigd zijn door toedoen van vele kopieschrijvers. Onder zijn impuis komt er een Karolingisch schrift dat aan de basis ligt van de moderne typografie. Hij zorgt ook voor hogescholen in de kloosters waar spraakkunst, retorica, dialectiek, rekenkunde, geometrie, astrono­mie, zang en muziek onderwezen worden. Deze sculptuur is een meesterwerk uit de "Objets d'art du Musée du Louvre". Zij behoort tot die werken die tegelijk referentiepunt en symbool vormen en een illustratie van zowel geschiedenis als kunstgeschiedenis. Als vermeend portret van Karel de grote is dit object de link tussen de oude wereld en de middeleeuwen. Het is een zeldzaam bekend voorbeeld van een bronzen Karolingisch kunstwerk. De kunstenaar grijpt terug naar de smelttraditie van de oudheid en creëert zijn personage om het aan te passen aan een vroeger werk. Het paard dateert immers waarschijnlijk van het Oost-Romeinse Rijk. Zo ontstaat een ruitersculptuur die niet gebruikelijk is voor de Karolingische heersers maar die des te meer bewust aansluit bij de trend om oude bronnen te doen herleven. Zij is dus karakteristiek voor de Karolingische renaissance. Zich inspirerend op de Romeinse standbeelden, zoals dat van Marcus Aurelius in Rome, schept zij het beeld van een Karolingische heerser als een "nieuwe Caesar of Constantijn". 

Karel de Grote wordt in 747 geboren, waarschijnlijk in het Luikse, uit het huwelijk van Pepijn III de Korte en Bertrada. Hij behaalt diverse militaire zegepralen en hij onderwerpt snel de Lombarden, zodat hij heerser wordt over Noord-ltalië in 774. Nadat hij het koninkrijk Aquitanië gesticht heeft, stoot hij door tot Beieren en voegt Saksen bij het Frankische Rijk. Hij heerst tot aan de poorten van Rome. Hij brengt nadien de Arabische invasie in Spanje tot staan maar bij de terugkeer van zijn leger wordt de achterhoede, onder het bevel van Roland, verslagen door de Gascogners in de vallei van Roncevaux. In tweeëndertig jaar verovert Karel de Grote een immens rijk. In het Vaticaan krijgt hij op kerstdag in 800 van paus Leo III de keizerskroon. Meteen een bevestiging van zijn macht en van de steun van de Heilige Stoel aan zijn streven naar werelddominantie.

 

Karel de Grote sterft in 814. Bij zijn teraardebestelling in de paltskerk van Aachen, wordt zijn lichaam in een prachtig gewaad van Byzantijnse zijde (8ste eeuw) gewikkeld. Dit gewaad is het oudste voorbeeld van figuratieve stof uit de Byzantijnse tijd. Het kostbare purperen kleed toont op een donkerblauwe achtergrond een scène uit de laatantieke arena. Je ziet de voorzijde van een quadriga. De teugels van de rijkelijk opgetuigde paarden worden vastgehouden door een menner naar met gekrulde haren en maliënkolder. Twee slaven in tuniek rennen toe met een lauwerkrans. Twee jongens strooien munten voor de poten van de paarden als symbool voor de macht van net rijk. In de 19de eeuw knipt een onattente conservator de lijkwade van Karel de Grote in twee even grote stukken. Meer dan een eeuw later wordt het ene deel bewaard in Aken, het andere in Parijs.   

 

De Bijbel van Zoutleeuw

Het is het pronkstuk van de bibliotheek van het Seminarie te Liège. Het bevat de volledige Latijnse tekst van de Bijbel in drie grote volumes (46 x 32,5 cm) met respectievelijk 288,267 en 163 bladzijden van dik perkament. Op elke pagina zijn er twee kolommen tekst van 38 lijnen. Het manuscript is gedateerd, want het colofon vermeldt: "In het jaar 1248 onzes heren, is dit boek gekopieerd ter ere van de Heer, de gelukzalige Maria, de heilige Sulpitius, en van alle heiligen in het huis van de broeders van de priorij van Scholierendal te Zoutleeuw, ten tijde van prior Jonathan." De orde van Augustijner kanunniken van Scholierendal, gesticht in het diocees Langres begin 13de eeuw, verspreidt zich langsheen de Maas. In 1231 stichten zij een klooster te Liège (Outremeuse); van daaruit zwermen zij uit naar Zoutleeuw (Vlaams-Brabant) in 1236. Evenwicht en duidelijkheid in de opmaak zijn karakteristiek voor deze Bijbel. De versiering, met duidelijk Franse invloed, is van constante kwaliteit en is niet alleen overvloedig maar tevens origineel in de iconografische weergave van verschillende thema's. De personages berusten op een zelfde type: een tengere en slanke gestalte (de tengere schouders maken het hoofd soms lichtjes gedisproportioneerd). De tekening van het oog - de pupil tussen twee oogleden met uiteenlopende lijnen- is typerend voor de meester van Zoutleeuw. Dat geldt eveneens voor de volledig irrealistische weergave van de bomen, met een losse vorm van schit-terende fijne witte lijnen, die nergens opduikt in andere manuscripten.Maar liefst 42 verluchte hoofdletters zijn er en een groot aantal met filigraan versierde initialen, met bladversieringen in gouden randen. Dit belangrijk voorbeeld van de verluchtingskunst in het Luikse diocees van het midden van de 13deeeuw bevindt zich momenteel in het dépôt van het Musée d'Art Religieux et d'Art Mosan te Liège. 

 

Wist je ... dat Pelléas et Mélisande van Maeterlinck aan de basis ligt van de opera in 5 bedrijven van Claude Debussy die regelmatig opgevoerd wordt in de bekendste operahuizen van de wereld?

  

 

Evangelieboek van Sint Gerardus van Brogne

 Het manuscript wordt afgewerkt in 1543 in de abdij van Sint Gerardus van Brogne, onder abt Guillaume Caulier (1516-1550). Zijn wapen staat trouwens in de rand van folio 5. Het is niet mogelijk vast te stellen of het om een lokale productie gaat omdat er geen verge-lijkingsmateriaal is. In afwachting van meer pre-cieze kennis, wordt het werk gesitueerd in de vroegere Zuidelijke Nederlanden. Wij zien nog een "Gents-Brugs" procédé maar er zijn reeds sporen van Renaissanceversiering. De laat-Middeleeuwse decoratieve stijl is onmiskenbaar, zoals het mengsel van heel realistische acanthussen, groenmotieven en kleine dieren (vogels, slakken, insecten). De Renaissance maakt haar opwachting met eigen voorstellingen: hekspijlen en fonteinbekkens die uitlopen op elkaar omhelzende acanthussen en aïs geheel met de vorm van de hoofdletters. Hoofdletters zijn versierd met miniaturen: de Aanbidding der Wijzen, het Doopsel van Christus, de Putten van Samaria, Landschap, Judas die onderhandelt.De nieuwe stijl is niet het uitvloeisel van een lange en geduldige evolutie maar het gaat om echt "exotische" elementen die in een oudere ("Gents-Brugse") structuur terecht zijn gekomen. De motieven krijgen relief dankzij het traditionele procédé van de slagschaduw. De vermenging van de twee stijlen is zeker een succes.  

 

 

MUZIEK

 

De muziekschat van Orlandus Lassus Orlandus Lassus (1535-1594) is een van de grootste componisten van de Renaissance. Hij wordt in Mons  geboren en is tijdens zijn leven al een beroemdheid die naar Frankrijk, Italie en Vlaanderen reist. Nochtans zal hij zich voornamelijk in Munchen vestigen bij de hertogen van Beieren, zonder evenwel zijn Europese reizen op te geven. Dit overzicht, in Genève uitgegeven door Berg (1582), bevat een deel van de 150 liederen die Lassus geschreven heeft. De titel ervan wijst op de achting t.a.v. Lassus. Dit deel is enkel dat van de contratenor. De drukkers geven in die dagen immers alle partijen afzonderlijk uit zodat elke zanger of instrumentalist over een eigen exemplaar kan beschikken. Voor de teksten put Lassus in grote mate uit het oeuvre van de beroemde dichters uit de 14de eeuw: Marot, Ronsard, De Bellay en Baïf. Hij ontleent bij hen bucolische en spreukrijke poëzie maar ook drinkliederen en soms ronduit obscène teksten. In dit overzicht zijn de meest liederlijke teksten "vergeestelijkt". De uitgever stelt in zijn voor-woord dat "om deze liederen deftiger en christelijker te maken" hij ervoor zorg heeft gedragen de "dwaze, wellustige en wereldse woorden uit te zuiveren door het schrappen van enkele of meerdere en ze aan te passen aan de Muziek".   

 

Wist je ... dat in 1979 niemand minder dan Madonna danst en in het koortje staat van "Born to be alive" van Patrick Hernandez?

   

De Zuidelijke Nederlanden, bakermat van de beiaardkunst

 “Beyaerde" is een Middelnederlands woord, wat eigenlijk betekent "met een hamer op metaal of hout slaan". Eertijds is het enkel een signaal, later worden de zes noten gevormd van het desbetreffende gamma, voldoende voor een volks lied of een kerkzang. Aan de buitenzijde hangen de grote klokken in de toren of belforten om de stedelingen te verwittigen. Jan Van Bevere, de beiaardier van Duinkerken, gebruikt al in 1478 klokken van groot formaat om de kerkzangen op feestdagen in heel de stad te laten weerkiinken. Men veronderstelt dat hij de klepels verbindt met een soort van (orgel)klavier. Klokken spelen een grote rol bij elk événement. Jan zonder Vrees viert zijn overwinning tegen de Luikenaars (Brugge, 1394) met "orghene" en "beyaerden". Filips de Goede maakt er zijn blijde intrede in 1440 onder het luiden van de klokken. In 1510 verbindt men in Oudenaarde via koorden zelfs allé klokken, kleine en grote, met een groot slagbord en een piano met stokkenklavier, waarop kan gespeeld worden zoals op een orgel. In al onze steden weeklinken duizenden tonen tôt aan het einde van de 18de eeuw. Napoleon vindt trouwens dat klokken beter klinken dan kanonnen. Maar pas tegen het einde van de 19de eeuw krijgt de beiaard weer de status van instrument van de zuidelijke Nederlanden. Adolf Denijn (1823-1887) en zijn zoon Jef (1862-1941) spelen een vooraanstaande roi bij de oprichting van de internationaal vermaarde beiaardschool Koningin Fabiola te Mechelen. Zij wordt pas officieel ingehuldigd in 1922, in de plaats van 1913, omwille van de oorlog. 

  

Wist je ... dat de fameuze "Eendjesdans" van J.J.Lionel niet alleen bij ons een hit is. In Frankrijk is het nl. de meest verkochte opname var de eighties.

   

Grétry viert triomfen in Parijs

 

André-Ernest-Modeste Grétry (1741-1813) vertelt in zijn Mémoires, ou Essais sur la musique (Parijs, 1789) dat hij deze kleine stille piano meeneemt op reis in de diligence of tijdens tochtjes op net platteland. Deze laat hem toe de nodige oefeningen te doen om zijn vingers soepel te houden zonder de medereizigers te storen. De totale geluidloosheid, evenals een tot twee octaven beperkte omvang, bevestigen dat het hier om geen componeerinstrument gaat. Aan de achterzijde kan de aanslag soepeler of harder worden gemaakt. Voor de meeste liefhebbers is Grétry de componist van het lied Où peut-on être mieux qu'au sein de sa famille? ("Waar kan men beter zijn dan bij zijn famille?") Sedert het componeren ervan behoort het tot het collectieve geheugen van de Belgen. Maar deze op 8 februari 1741 geboren Luikenaar schrijft vooral muzikale geschiedenis door zijn bijdrage aan de komische opera, een genre dat een mengsel is van gesproken teksten, liedjes en begeleidende recitatieven.Werken als Le Huron (1768), Lucile (1769), Zémire et Azor (1771), Le Jugement de Midas (1778), Richard Coeur-de-Lion (1784) beheersen de Parijse scène tot aan de Franse Revolutie. Zij zijn populier in heel Frankrijk maar ook in de Nederlanden, Duitsland, delen van Italie, Oostenrijk, Zweden... Zij blijven dat ook na zijn dood op 24 september 1813.   

 

Wist je ... dat in 1966 Adamo op de tweede plaats in de wereld prijkt wat het aantal verkochte platen betreft. De Beatles staan op nr.1.

   

Dwarsfluit van Rottenburgh

 

De dwarsfluit van Jean-Hyacinthe Rottenburgh (1672-1756) is zowel qua binnenboring als qua profiel een fijn gedraaid, uiterst verzorgd muziekinstrument.  Het geeft een goed idee van het "nieuwe" dwarsfluittype dat de Hotteterre's in het derde kwart van de 17de eeuw aan het Parijse hof ontwikkeld hadden en dat de basis is geworden van de elegante barokfluit die de blokfluit gaandeweg uit de muziekpratijk verdrong.Vandaag staat de Rottenburgh dwarsfluit model voor talrijke kopieën waarmede barokvirtuosen de muziek van de tijd van Bach zo getrouw mogelijk gestalte willen geven. Zoals aan andere Europese hoven, kwamen ook aan het hof van Karel van Lotharingen muzikan-ten en bouwers vaak uit dezelfde familles. Rottenburgh, Willems en Snoeck waren de beroemdste blaasinstrumentenbouwers enluthiers in die tijd in Brussel. Zij leverden verschillende muzikanten aan  het hoforkest en waren onderling verwant.  

 

Wist je ... dat Hooverphonic de soundtrack maakt voor tal van Amerikaanse films?

   

Op zijn zes jaar al een virtuoos

 Hij wordt geboren in 1820 maar amper zes jaar oud maakt Henri Vieuxtemps door zijn vroegtijdige muzikale rijpheid al diepe indruk op het publiek aïs hij het vijfde con­certo van Robe speelt. In Antwerpen schildert Barhélemy Vieillevoye, ook afkomstig van Verviers, het portret van de jonge, dan achtjarige virtuoos. Met de viool in de hand drukt Vieuxtemps de spontaneïteit en het natuurlijke uit van een kind, terwijl de vastberaden en serene blik al blijk geeft van een volwaardig kunstenaar. Als hij 9 is, wordt hij opgemerkt door Charles Bériot tijdens een eerste reeks van concerten. Na verdere opleiding in Brussel geeft Vieuxtemps vanaf 1833 tal van concerten, waarop hij o.m. Schumann en Paganini ontmoet. Na een ontmoeting met Reicha zet hij zich aan het componeren en dat zal hij doen tot aan zijn dood in 1881. Henri Vieuxtemps maakt deel uit van de Luikse muzikale rijkdom van na het einde van de 18de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw. Andere muzikale talenten van die periode zijn André-Modeste Grétry (1741-1813), César Franck (1822-1890), Guillaume Lekeu (1870-1894) en Eugène Ysaye (1858-193 l). Allemaal namen die, samen met Henri Vieuxtemps, in alle geschiedenisboeken van de muziek figureren.   

 

Wist je ... dat in de VS 270 versies bestaan van "If you go away", oorspronkelijk "Ne me quitte pas" van Jacques Brel?

   

Koningin Elisabethwedstrijd: een concours met internationale uitstraling

 

 In 1900 huwt de Beierse hertogin Elisabeth met troonopvolger Albert van België. Zij ontmoet in Brussel Eugène Ysaye, een onbetwistbaar talentvol violist. Hij staat op het toppunt van zijn carrière. De kunst brengt hen samen en gedurende hun jarenlange vriendschap wisselen zij van gedachten over een internationaal concours. Ysaye sterft in 1931 op het ogenblik dat de Koningin de Muziekstichting Koningin Elisabeth opgericht heeft. In 1937 heeft de eerste wedstrijd Eugène Ysaye plaats, met een indrukwek-kende internationale jury.Vanaf het begin wordt dit concours beschouwd als een der meest prestigieuze maar ook moeilijkste in de wereld. Het succès van de eerst aflevering is bepalend voor de toekomst. Tegelijk rient de Koningin, met financiële steun van baron Paul de Launoit, een instelling op die het onderricht voor Belgische musici moet verbeteren, de Muziekkapel Koningin Elisabeth. In 1950 wordt het Concours Ysaye veranderd in Koningin Elisabeth Wedstrijd. De wedstrijd richt zich nog  altijd tot opgeleide muzikanten die een interna­tionale carrière ambiëren. Afwisselend staan piano, zang, viool en compositie op het programma. Vertolkingwedstrijden hebben om de vier jaar plaats, componeerconcours om de twee jaar.  

Tussen 1841 wanneer Sax hem voor het eerst voorstelde op de Nationale industrietentoonstelling in Brussel en 1846, het jaar waarin hij werd gepatenteerd, heeft de saxofoon grotere veranderingen ondergaan dan in de rest van zijn geschiedenis. De wijzigingen die Sax zelf aanbracht in 1866 en 1881 middels twee latere octrooien, waren vooral bedoeld om de rechten op zijn uitvinding veilig te stellen. In de twintigste eeuw bvrachten vooral Franse (Selmer) en Amerikaanse bouwers (Conn en Beuscher) verder verbeteringen aan. In België was Manillon de eerste bouwer die saxofoons aanmaakte: hij begon ermee in 1867, wanneer het eerste (Franse) octrooi in het Publiek Domein verviel. 

Sax ontwierp zijn saxofoons als een instrumentenfamilie - niet als een enkel muziekinstrument - en gebruikte ze in de eerste plaats in het vernieuwingsproject van de Franse militaire muziekkapellen waarvoor hij door het militaire establishment naar Parijs was gehaald. Merkwaardig genoeg werd het orkestrale con­cept van Sax pas voor het eerst consequent toegepast in de Amerikaanse big bands van de jaren 1930. De link met het leger bleef echter bestaan, sommige bekende big bands werden voor de Welfare ingezet tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

 

Twee Belgen speelden ook een belangrijke rol in de verspreiding van de saxofoon op het Amerikaanse vasteland: de virtuoos Henri Wuille (1822-1871) en Jean Moeremans, saxofonist van Sousa's Marine Band in de jaren 1890. Ook de eerste plaatopnamen met saxofoon staan op naam van Belgen: Eugène Coffin (New York, 1895) en opnieuw Jean Moeremans (Washington, 1897).  Na de Tweede Wereldoorlog krijgt de Belgische jazz internationale faam dankzij een nieuwe generatie van muzikale talenten.Daarvoor zorgen o.m. Toots Thielemans (1922), Jack Sels (1922-1970), Jacques Pelzer (1924-1994), Bobby Jaspar (1926-1963), Sadi (1927), René Thomas (1927-1975). Zij zetten allemaal hun eerste stappen in België door aandachtig te luisteren naar Amerikaanse jazzplaten en nadien een eigen groep op te richten. Heel beroemd worden zo de Bob-Shots.In de vijftiger jaren trekken zij allemaal, met wisselend succès, de grens over. Sadi wordt een naam in Frankrijk, Bobby Jaspar in New York maar vooral Toots Thielemans wordt ontegensprekelijk de meest bekende Belgische musicus in de wereld. Zijn faam reikt van Scandinavie tot Amerika, van Azië tot in Europa, met zijn onafscheidelijke mondharmonica. Maar van hem komt ook de beroemd geworden klank van gitaar en fluiten samen. Met resultaat: een immense discografie en samenwerking met het kruim van de jazz en pop artiesten van de tweede helft van de 20ste eeuw. Kortom, nu al een Belgische legende.  

Dankzij deze voorgangers groeit ook een nieu­we generatie van muzikaal talent: Fred Van Hove (1973), Félix Simtaine (1938), Philippe Catherine (1942), Michel Herr (1949), Steve Houben (1955), Bert Joris (1957), Kris Defoort (1959), Dré Pallemaerts (1964), de leden van Aka Moon... Zij allen maken naam met muzikale kruisbestuivingen en mengvormen, zowel met traditionele als met hedendaagse muziek.  

 

Een muziekland bij uitstek

Luisterliedjes, rock, elektronische muziek, wereldmuziek, rap...  de mythe van Jacques Brel: evenzoveel schitterende facetten van het Belgische muzieklandschap.  

Belgium, Belgium

Zowel Jacques Brel ("Le plat pays"), André Bialek ("La belle gigue"), Marka ("Le pays de la pluie"), Arno ("Comme à Ostende"), Johan Verminnen ("Brussel") als Raymond van het Groenewoud ("Vlaanderen boven") bezingen België. Tal van anderen doen dat eveneens, elk steeds met een eigen benadering.

Eurovisie

Onze vertegenwoordigers op het Eurovisie-songfestival zorgen intussen voor eerder uiteenlopende resultaten. Maar wie herinnert zich niet Sandra Kim ("J'aime la vie"), Urban Trad ("Sanomi"), Jean Vallée ("L'amour, ça fait chanter la vie"), Louis Neefs ("Ik heb zorgen") en Vanessa Chnitor ("Like the wind") ? En het jeugdige geweld van Xink en Free Spirits op het podium van Eurosong for kids?  

Kleurrijk

Dankzij de opeenvolgende immigratiegolven van de voorbije decennia wordt de Belgische muziek een stuk kleurrijker. Italië, Congo, de Maghreb... tekenen voor een verfrissende aanbreng. Claude Barzotti, Rocco Granata, Khadja Nin, Mousta Largo en anderen worden bekende namen.  

Successtory

Belgische vaste waarden krijgen ook vaste voet in het buitenland. Denk maar aan Helmut Lotti, Adamo, Axelle Red, Maurane, Clouseau of Pierre Rapsat. Zij vormen nog maar de voorhoede van nieuwe beloftevolle generaties, met o.m. Jeff Bodart, Zornik, Ann Pierlé en Vincent Venet. Talrijke compilaties getuigen van een bijzonder levendige muzieksien in dit land.  

 

In het Nederlands

Vele Vlaamse artiesten zijn succesrijk in hun eigen taal. Dat geldt zeker voor Will Tura, Gorki, Willy Sommers, Dana Winner, K3, Wim de Craene en Raymond van het Groenewoud.  

 

Maar ook tweetalig

Sommigen kiezen voor het Frans om een nog groter publiek te bereiken, zoals Arno en Kim Kay. Walen kiezen dan weer voor het Nederlands, want de andere kant van de taalgrens lokt. Jo Lemaire en Sandra Kim doen dat met veel bravoure. Maar creativiteit kent geen taalgrenzen en tweetalige liedjes blijken het minstens even goed te doen. Jacques Brel geeft met "Marieke" het voorbeeld, Jean-Louis Daulne met "Zusje (P'tite soeur") en Pierre Rapsat met "Un dimanche en automne".  

 

Engels

Voor velen blijft evenwel het Engels de taal bij uitstek voor een succesvolle internationale carrière. Soulsister, Vaya con Dios en Hooverphonic bewijzen dat ten overvloede.  

 

"Belgian Sound"

Een begrip in de elektronische muziek. Daarvoor zorgen Technotronic, 2 Unlimited, Front 242...  

 

Show

Muziek en show zijn vaak onlosmakelijk verbonden. Een gesmaakt huwelijk van fantasie, humor en dynamiek trekt tal van enthousiaste toeschouwers naar optredens van Annie Cordy, Urbanus, Sttellla en Eddy Wally.  

 

Pop en Rock

De Belgische oogst aan internationaal talent is soms indrukwekkend. Met magistrale composities veroveren Machiavel, K's Choice, dEUs, Venus, TC Matic, Ozark Henry, Hooverphonic, Novastar en vele anderen de buitenlandse podia.  

 

Instrumentaal

België heeft ook op dat vlak een meer dan degelijke muzikale traditie. Wim Mertens, Luc Baiwir, Marc Moulin of Francis Goya zijn tot ver over de grenzen bekend.  

 

Hits

Enkele Belgische successen schoppen net tot mondiale monsterhits. "Dominique" van Soeur Sourire haalt een notering in de Amerikaanse charts, "Tombe la Neige" van Adamo is in Japan een traditional. Voor "Bluesette" (Toots Thielemans), "La Playa" (Jan van Wetter), "La petite valse" (Jo Heine), "Early bird" (André Brasseur) duurt net internationale sprookje eigenlijk nog voort. "Marina", "Ça plane pour moi", "Pump up the jam" en "Born to be alive" kan je nog dagelijks in net buitenland horen.  

 

Pure poëzie

Julos Beaucarne, Philippe Lafontaine, Adamo, JohanVerminnen en Jan De Wilde componeren pure poëzie, met gretige afzet daarenboven.  

 

Kids

Met jonge grut vindt zijn gading in shows of televisie-uitzendingen op zijn maat. Christian Merveille, Mamemo, André Borbé, Blabla, Tik Tak, Samson en Gert kluisteren kids op hun stoel.  

 

Wist je ... dat Francis Goya dagelijks meer dan 1000 cd’s verkoopt in Rusland?

 

Iedereen kent de Vlaamse charmezanger Eddy Wally als dusdanig. Zijn opmerkelijke  outfits, waaronder creaties van  de  kleermaker van Elvis Presley, dragen niet weinig bij tot zijn populariteit. Wally is inderdaad bekend tot over de Chinese muur, tôt over het vroegere ijzeren gordijn en zelfs in Las Vegas. In 30 jaar verkoopt hij 4 miljoen albums en maakt hij van zijn huis een museum ter meerdere eer en glorie van... Eddy Wally.                              

Sttellla, alias de excentrieke Jean-Louis Fonck, is een meester in de edele kunst van de spot, met onnavolgbare "Belgische" woordspelingen en potsierlijke vermommingen. De tournee na het album "Il faut tourner l'apache" zorgt voor absoluut plezier en een overeenstemmend humeur  tot   in de Verenigde Staten toe.

In de loop der jaren heeft de Belgische muziekindustrie zoveel succesnummers gecreëerd    ("Daydream", "Vogeltjesdans", "Kingston Kingston", "Tim", "Lena", "Rin ring l've got to sing"...) dat een volledige opsomming onmogelijk is. Al helemaal onverantwoord zou het zijn een hiérarchie van artiesten te willen opstellen. Met alle voorzichtigheid die geboden is en rekening houdend met genre, taal en période, kan je misschien volgende (subjectieve) top-20 van artiesten distilleren: Adamo, Arno, Jacques Brel, Clouseau, Annie Cordy, Hooverphonic, K's Choice, Philippe Lafontaine, Lio, Helmut Lotti, Machiavel, Maurane, Pierre Rapsat, Axelle Red, Soulsister, Technotronic, Will Tura, Raymond van het Groenewoud.Vaya con dios, Zap Mama.  En als je het bij één enkele naam moet houden, dan  blijft allicht die van Jacques Brel overeind  jarenlang overheerst hij net chanson in België en viert hij triomfen in de verste uithoeken van de wereld. Brel is een keerpunt in de Belgische geschiedenis van het lichte lied. De onvergetelijke componist en zanger tekent voor liedjes als "Ne me quitte pas", waarvan niet minder dan 270 verschillende covers bestaan in deVerenigde Staten.  

 

 

SCHILDERKUNST

 

Tijdens de 15de eeuw kent de Primitieve kunst een artistieke s bloei die alleen in Italië geëvenaard wordt. Gelijk met de prestigieuze verluchtingstraditie kent deze kunst een enorme  ontwikkeling in deze periode, vooral door toedoen van Jan van Eyck. Deze wordt waarschijnlijk in 1390 geboren en sterft in Brugge in 1441. Zijn meesterwerk, de polyptiek van het Lam Gods, bevindt zich nu in de Sint-Baafskathedraal te Gent. De bovenste zeven panelen tonen God de Vader, de Maagd en Johannes de Doper, links en rechts geflankeerd door twee groepen enge-len en de figuren van Adam en Eva. De vijf pane­len onderaan stellen in het midden het Lam voor dat zijn bloed offert op het altaar. Verschillende groepen van personages komen er naar toe: profeten, apostelen, pausen en bisschoppen, martelaren en maagden, eremijten en pelgrims. Blijkbaar is het onderwerp terug te brengen tot de Allerheiligenliturgie en voornamelijk tot een passage van de Apocalyps van Sint-Jan.De kunst der Vlaamse Primitieven onderscheidt zich door een aantal karakteristieken. Op de achtergrond is er bijvoorbeeld een landschap met tal van anekdotische elementen. Er is ook altijd een spel tussen buiten- en binnenkant, een heel complex samenspel van ruimte en gezichtsvelden. Het perspectief is nog niet mathematisch maar legt de nadruk op vluchtlijnen en réalisme, alsof men voor een spiegel staat. De behandeling van weerspiegelingen op de spiegels, weerkaatsende oppervlakken, glazen, metalen, edelsmeedkunst en wapenrustingen is buitengewoon goed verzorgd. De kunste-naar concentreert zich op de détails en een minutieuze weergave van allé facetten van de werkelijkheid, soms enkel gewapend met een paardenhaar dat dienst doet aïs penseel. Mensengezichten, dierenvachten, begroeiing, textielvezels, de textuur van hout en steen worden zo geschilderd. Een laatste kenmerk van de Vlaamse Primitieven vormt de doorschijnende dekverflaag die samengesteld is uit sneldrogende oliën. De schilder brengt op de drager, meestal een houten paneel, een grondlaag aan die naar wit neigt. Daarop komen de verschillende lagen, kleuren die bijeengehouden worden door een bindmiddel en de sneldrogende component die het drogen bevordert.  

Pieter Bruegel krijgt zijn artistieke opleiding in Antwerpen bij Pieter Coecke Van Aelst. In 1551 wordt hij vrije meester bij de Antwerpse schildersgilde Sint-Lucas. Als hij terugkeert van een reis in Italie en Frankrijk brengt hij een hele reeks van tekeningen en schetsen mee die geïnspireerd zijn door zijn verblijf aan de andere kant van de Alpen. Hij werkt toto 1563 in Antwerpen bij de bekende uitgever van etsen Hiëronymus Cock en vestigt zich dan definitief in Brussel. In zijn eerste werken bemerkt men de invloed van Jeroen Bosch: nauwkeurige observatie van de natuur, een overvloed aan details, de zin voor het fantastische en de keuze van de personages. Hij ondergaat ook invloed van de Antwerpse landschapsschilders van zijn tijd en is duidelijke sterk geïnteresseerd in wat er dagelijks rondom hem gebeurt. De Volkstelling te Bethlehem en de Kindermoord te Bethlehem hebben eigenlijk te maken met het trieste lot der Vlamingen die door Spanje verdrukt worden. Ook al lijkt zijn schilderkunst episodisch en anekdotisch, zij is wel degelijk doordongen van de menselijke realiteit die vaak bitter is en vol tegenstellingen. Zijn weergave van volkse gewoonten en gebruiken is een voorwendsel tot satire, eens zacht, dan weer wreed. De boeren zelf worden "getekend" door het groteske van de situaties waarin het burleske vanVIaamse zegswijzen opduikt. Bruegel behandelt ook allegorische thema's en belangrijke onderwerpen uit de gewijde geschiedenis, zoals de Toren van Babel of de Kruisiging. Zijn doeken tonen altijd Europese landschappen, met een bewonderenswaardig genuanceerd en gevarieerd gevoel voor de natuur. En dit zowel voor een onbewogen decor of als schildering van de natuur zelf zoals in zijn reeks over de Maanden, waarvan slechts vijf doeken overgebleven zijn. Bruegel is een bewonderenswaardige specialist van de kleuren, waarmee hij alle sfeerwijzigingen met een zeldzame gevoeligheid weet te vatten. Hij geniet in zijn tijd van een immense roem maar die verdwijnt langzaamaan totdat hij quasi vergeten is in de 18de en 19de eeuw. Door zijn grote landschappen en zijn laatste genredoeken ligt hij evenwel aan de basis van een heel nieuwe kunst die ook helemaal nationaal is, waardoor hij de Vlaamse schilderkunst bijna een hele eeuw lang beïnvloedt.    

Jeroen Bosch wordt omstreeks 1450 geboren, waarschijnlijk in 's Hertogenbosch, maar verblijft meermaals in Antwerpen. Zijn invloed wordt snel merkbaar bij Vlaamse schilders als Jan Mandyn en Pieter Huys. Zijn werken worden bevolkt door monsters en fantastische uitvindsels die een ode vormen aan de waanzin, de menselijke goedgelovigheid, de zucht naar vermaak, de zedenverwildering en die vooral deugd en ondeugd, wijsheid en dwaasheid tegenover mekaar stellen.Zijn werk ligt in de lijn van de Vlaamse Reinaert de Vos, de Germaanse Tijl Uilenspiegel en het Norrenschift van Sebastian Brant en heeft minder te maken met een geheime tovenaarsapologie. De fantastische kunst van Jeroen Bosch en zijn volgelingen is perfect verstaanbaar voor mensen van zijn tijd maar is slechts in geringe mate door ons te vatten. Op dit paneel zijn er complexe verwijzingen naar magische praktijken, volksgebruiken, dieventaal, tarot en alchemie. Het is waarschijnlijk een originele voorstelling van Sint-Christoffel. In de kuntsgeschiedenis is deze regelmatig te zien als hij door het water waadt met Jezus op zijn schouders, niet zelden omgeven door dreigende beesten. Vaak staat een heremiet op de oever met een lamp aïs baken. In dit werk worden de traditionele iconografische details weergegeven op de wijze van Jeroen Bosch, met tal van lelijke creaturen. Eerst zwaait de heremiet aan de linkerkant heftig met zijn lamp om de monsters te verjagen die hem aanvallen. Sint-Christoffel staat in al zijn grootheid aan de rechterkant. Hij heeft de aanvallers reeds klein gekregen en die liggen voor hem. Zijn enorme stok ligt links van hem. Het lijkt er sterk op dat de reus op net signaal van Jezus wacht om hem naar de andere oever te brengen. Opvallend is ook de vis aan zijn gordel. Dit karakteristieke attribuut staat ook op de stok in de compositie van Sint-Christoffel van Jeroen Bosch die zich in het Museum van Rotterdam bevindt.  Joachin Beuckelaer, omstreeks 1540 in Antwerpen geboren, lijkt wel een getuige van de welstand van geboortestad. Zijn werk is een opeenstapeling van levensmiddelen, die dikwijls geëist worden door het cliënteel, en van tal van personages met nauwelijks ingehou-den sensualiteit. In zijn meesterwerken, zoals Marktafereel (Rocockx huis in Antwerpen), de Gevogeltemarkt (Gent), Christus bij Martha en Maria (Brussel) of De groentenverkooftster (Valenciennes), stelt Beuckelaer groen in contrast met vermiljoen en geel met bruin. Hij is een leerling van Pieter Aertsen maar heeft niet zoveel succès. Tijdens zijn leven is hij voor sommigen "een kleine Aertsen", toch wel een onderschatting van zijn talent. En in 1604 blijkt dat "de talrijke werken die hij geproduceerd heeft voor een kleine som pas na zijn dood op hun juiste waarde geschat worden en dat zij momenteel twaalfmaal hun prijs van toen waard zijn." Beuckelaer werkt alleszins in het atelier van Antonio Moro om de eindjes aan mekaar te kunnen knopen en schildert daar de kleren van de beroemde portretten.Toch blijkt uit teksten dat Italiaanse edelen enkele van zijn werken kopen als zij doeken bestellen bij Pieter Bruegel.  

 

Pieter Paul Rubens: de uitstraling van de Barok

 Hij wordt geboren in Siegen in 1577, begint op jonge leeftijd in het atelier van schilder Adam Van Noort en dan bij OttoVenius, waar al snel zijn talent voor schilderen, tekenen en etsen blijkt. Hij treedt in 1598 toe tot de gilde van Sint-Lucas te Antwerpen en gaat dan naar Italië om zijn opleiding af te werken en kennis te maken met de grote meesters van over de Alpen. In dienst van de Hertog van Gonzaga te Ferrara, reist hij door heel Italie, bezoekt hij de grote verzamelingen en maakt hij kennis met het werk van de grote decorateurs. Hij geraakt onder de indruk van het dramatisch licht bij Tintoretto, de enscenering van Veronese en de precisie van Annibale Carracci. Vanaf 1603 wordt hij een belangrijk diplomaat, met o.m. een missie naar Madrid waar hij in het Escorial de verzameling van de Habsburgers kan bewonderen. Hij krijgt steeds meer opdrachten en hij wordt alsmaar bekender in heel Europa. In 1609 keert hij terug naar Antwerpen en start een atelier op, een echte schilderfabriek, naast zijn woonhuis aan de Wapper. Vanaf 1610 begint hij in de kathedraal van zijn woonplaats aan een van de meesterwerken van de schilderkunst: De Kruisoprichting, en het jaar daarop De Kruisafneming. In 1620 zorgt hij voor de hele decoratie van de Carolus Borromeus-kerk in Antwerpen. En één jaar later krijgt hij de belangrijkste opdracht van zijn leven, vermits de Franse koningin Maria de Medici hem vraagt de hele decoratie van het Paleis van Luxemburg in Parijs voor zijn rekening te nemen. De eenentwintig doeken van het toenmalige grote salon vormen nu een der parels van de Louvre. Hij herneemt nadien zijn activiteiten al diplomaat tussen Madrid, Parijs en Londen. Zijn roem als schilder en als politicus groeit nog. De koning  van Engeland slaat hem tot ridder en de Spaanse vorst benoemt hem tot secretaris van de Raad derNederlanden. Vanaf 1630 besluit een vermoeide Rubens in het kasteel Met Steen te Elewijt voortaan alleen nog te schilderen. Hij huwt de 17-jarige Hélène Fourment die hem 5 kinderen schenkt. Rubens is buitengewoon intelligent (hij spreekt zeven talen en schrijft heel wat werken) en weet zich te omringen met de beste medewerkers die ook bijdragen tot de Antwerpse Gouden Eeuw, zoals Van Dyck, Jordaens en de fluwelen Bruegel. Hij schildert alle genres: portretten, landschappen, geschiedenis, mythologie, godsdienst maar vernieuwt die ook. Deze doeken en schetsen bewijzen zijn creatieve kracht en zijn barokke genie. Hij overlijdt thuis in Antwerpen in 1640.

 

Judith en het hoofd van Holofernes is een der eerste werken van de Antwerpse meester. Het is ook het eerste dat Rubens laat uitvoeren in gra­vure door Cornelis Galle. Rubens kent inderdaad de graveerateliers van Rome en Antwerpen. Als hij terugkeert uit Italië in 1608 beslist hij zijn werken te publiceren in gravures. Met een dubbel doel voor ogen: enerzijds meer bekendheid dankzij de grote oplage van gravu­res en anderzijds uit financiële overwegingen. Vermeld werk stoelt rechtstreeks op Rubens' compositie en Galles gravure. Dit gebeurt vaak tijdens de Antwerpse Gouden Eeuw.  

Midden 19de eeuw blinkt "troubadour" Hendrik Leys uit in de historische schilderkunst. Hij studeert aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten en valt onmiddellijk op omwille van zijn virtuositeit. Hij maakt de Revolutie van 1830 mee en begint de helden en historische gebeurtenissen van de nieuwe Staat te schilderen. In 1845 vraagt de Staat hem een roemrijk moment op doek vast te leggen en Leys beslist de eerste mis in de Antwerpse kathedraal na de beeldenstorm te schilderen. Tal van kunstenaar in zijn dagen kiezen onderwerpen uit de Middeleeuwen, de Renaissance en de 17de eeuw. Dat heeft te maken met de romantiek in de litteratuur, een romantische en sentimentele stroming, die o.m. gestimuleerd wordt door het werk van Victor Hugo. Leys gaat regelmatig naar Parijs waar hij Eugène Delacroix ontmoet en kennis maakt met het Musée des Monuments français van Alexandre Lenoir dat een pittoreske voorstelling geeft van de Mideleeuwen.

Leys houdt van kleinere formaten en gebruikt soms een houten drager zoals in de Middeleeuwen. Hij schildert typische middeleeuwse personages en scènes uit het dagelijkse leven van de Middeleeuwen tot in de 17de eeuw. Hij kiest ook voor thema's uit het artistieke verleden van ons land en maakt vaak pastiches van Cranach, Holbein en Dürer. Hij schildert met raffinement en realistisch klederen, meubelen en architectuur. Hij gebruikt warme, schitterende kleuren die perfect passen bij zijn minutieus penseel.  

Jacob Smits wordt in Rotterdam geboren in 1855 en zijn carrière begint in Nederland. Hij volgt les aan de Academie voor Schone Kunsten in Rotterdam. Omstreeks 1880 vindt hij snel werk als directeur in Haarlem en krijgt hij zijn eerste grote opdrachten van het Museum Boymans-Van Beuningen in Rotterdam. Nadat hij rijk getrouwd is, gaat hij nog meer op reis in Duitsland, Oostenrijk en Italie. In 1888 heeft hij genoeg van de mondaine wereld en wil hij naar het platteland. Hij vestigt zich in Mol-Achterbos. De Kempen hebben de industriële trein gemist en staan bekend als een der hardste, armste en achterlijkste streken van Vlaanderen. Vanaf zijn verblijf in de regio zal Smits bij zijn naturalistische onderwerpen blijven en schildert hij het harde leven op het plat­teland. Zijn doeken drukken een sterke religiositeit uit, onveranderlijke tradities, het harde gevecht van de mens en de grond, de sterke kracht van de landschappen en een melancholische en harde kijk op het platteland. Zijn ruimten zijn opgebouwd met strikte verticale en horizontale elementen. Smits schildert onbeweeglijke en ernstige figuren, voornamelijk in zwart en grijs, met enkele warme tonen. Zijn nerveuze schilderhalen analyseren maar summier de vormen en zijn vrij bewegend penseel doet net oppervak opleven met ruwe trekken.  

Baron volgt les aan de Antwerpse Academie vooraleer hij een groep sticht in Kalmthout, die later uitgroeit tot de Dendermondse school. Deze kunstenaars willen de landschapskunst bevrijden van de academische formules. In 1868 sticht Théodore Baron de Société Libre des Beaux-Arts de Bruxelles, een kun-stenaarsgroep die keuzevrijheid eist en de historische schilderkunst verwerpt. Constantin Meunier, Félicien Rops, Louis Artan en Alfred Verwée volgen daarin Baron. Hetzelfde jaar raakt hij bevriend met Camille Lemonnier en verblijft hij in diens huis in Profondeville. De Maasvallei, Lesse, Méhaigne, Molignée en Hoyoux charmeren hem. Tot 1882 reist Baron door Europa en verblijft ondermeer in Fontainebleau waar hij beïnvloed wordt door Théodore Rousseau, leider van de school van Barbizon. Hij sluit zijn carrère af aan de Académie van Namur, eerst als docent en vervolgens als directeur. Zijn werk maakt deel uit van de opvallend bloeiende landschapsschilderkunst in de 19de eeuw. De mechanisering en het ontstaan van grote, ontmenselijkte steden dwingen tal van schilders tôt een vlucht uit de beschaving en het schilderen van "stukken natuur". De kunste­naars breken zodoende met de traditie van het historisch landschap en refereren vaak naar het Hollandse landschap van de 17de eeuw.Tijdens hun wandelingen merken de landschapsschilders rotsen en bomen op. De Maasvallei wordt een onuitputtelijke inspiratie-bron voor meerdere generaties van artiesten. De meanders, weelderige landschappen en sensuele aarde zorgen voor vaak bucolische schilderijen. Zij geven een lichte omgeving weer en de voorbijgaande weerkaatsingen van de zon. Met palet gebruik bruinschakeringen, geel en donkergroen. De dikke kleurlaag vat het licht en een vrije toets verraadt de emotie van het schilderij.  

 

Frans Courtens

Hij wordt geboren in Dendermonde in 1854. Op jonge leeftijd bewondert hij de landschappen van Baasrode, Bornem, Hingene, Waasland en Temse. Hij verlaat nooit deze visie op de natuur en blijft trouw aan de realistische traditie van de Belgische school. Courtens volgt nadien les aan de Academie van Dendermonde en trekt naar Brussel. Hij frequenteert er l'Art libre met Charles De Grouw, Louis Dubois en Félicien Rops. Hij houdt van stilte en onbeweeglijkheid en dus blijven duinen, bossen, weiden, dorpen en bloemenvelden (cfr. vermeld werk) zijn geliefkoosde onderwerpen. Hij exposeert in België en net buitenland, zoals te Parijs, Londen, München, Venetië en Barcelona. In 1920 verleent koning Albert I hem de titel van baron. Frans Courtens sterft te Brussel in 1943.  

 

Emiel Claus

Claus voelt zich op jonge leeftijd aangetrokken tot de schilderkunst. Na tekenlessen te Waregem volgt hij vanaf 1869 les aan de Antwerpse Academie die dan geleid wordt door Nicaise De Keyser. Claus specialiseert zich in landschappen. In 1874 verlaat hij de Academie en vestigt zich eerst in Antwerpen waar hij portretten en realistische en verhalende atelierdoeken en genrewerken schildert. In 1886 komt er een wending in zijn carrière als hij zijn intrekt neemt in "Zonneschijn" aan de boorden van de Leie in Astene, dichtbij Deinze. Camille Lemonnier moedigt hem aan afstand te nemen van de academische vormen, naar buiten te trekken om daar te schilderen en vooral om lichtere kleuren te gebruiken. Claus wordt dan meer en meer een lichtschilder. Zijn verblijven in Parijs in 1889 en 1892 bepalen dan definitief zijn stijl. Vergelijkbaar met de doeken van Claude Monet, wordt Claus' werk het belangrijkste impressionistische in België, samen met dat van Théo Van Rijsselberghe. Innovaties op het gebied van materialen komen het werk buiten ten goede. De ezel is lichter en de verf in zinktubes kan makkelijk worden meegenomen. Claus schildert in snel tempo meerdere tableaus om efemere sensaties vast te leggen. Hij ondergaat beweging, natuur, moderniteit en zo schildert Claus op impressionistische wijze bruggen, boten, sloepen, zeilschepen, lucht, wolken, water en reflecties. Hij gebruikt de spectrale kleuren van de zon: blauw, geel, rood (primaire kleuren), oranje, violet en groen (complementaire kleuren), evenals tussenschakeringen en wit. Hij sluit grijs en zwart uit, vervormt reële tonen en kleurt de schaduwen. Hij mengt niet op zijn palet en verdeelt heldere en duidelijke kleuren op het doek. De kleuren worden op afstand in het oog van de toeschouwer gemengd.  

 

Guillaume Vogels

 Hij wordt in 1836 te Brussel als zoon van een arbeider geboren en wordt dat ook op heel jonge leeftijd. Op 19 gaat hij drie jaar tekenles volgen aan de Brusselse Academie. Eerst is hij schilder van gebouwen, nadien wordt hij decorateur.Tijdens een verblijf in Parijs in de zestiger jaren ontdekt hij de school van Barbizon en beslist hij tot een artistieke carrière. Al in 1874 neemt hij met succes deel aan de Triennale van Gent.Vervolgens komen de Salons Chrysalide in 1878, samen met Artan, Boulenger en Courbet.Nadien het Salon de Paris in 1881 en de XX in 1883 als stichtend lid.Hij is bevriend met James Ensor en legt zich toe op landschappen, op de nuances en veranderingen in de natuur. Hij gebruikt subtiele en geraffineerde tonen om, met passie en enige lyriek, stadsbuurten, schepen, stillevens en bloemen weer te geven.Na de ontbinding van XX, neemt Vogels deel aan de activiteiten van Libre Esthétique. Hij sterft op zestigjarige leeftijd. Octave Maus schetst volgend portret van hem: "Een vrolijke kompaan, geestdriftig en rabelaisiaans".  

 

Rik Wouters wordt op 2l  augustus 1882 in Mechelen geboren.  Hij bekwaamt zich in de beeldhouwkunst in het meubelatelier van zijn vader. Dan volgt hij tekenles aan de Mechelse Academie, vooraleer hij naar Brussel trekt in 1902. Hij wil er modelleren volgen bij  beeldhouwer Van der Stappen. In het begin koestert Wouters grote bewondering voor James Ensor en schildert stillevens en intérieurs met hetzelfde parelmoerachtige licht als bij de Oostendse meester. Hij maakt dan heel veel aquarel, houtskool, naaktstudies en portretten.In 1912 gaat hij voor het eerst naar Parijs en ontdekt er het werk van Renoir en Cézanne. Hij is onder de indruk en schrijft aan een vriend: "Alle schilders en zelfs de oude meesters vallen in het niets bij Cézanne en ik meen steeds meer dat je de natuur moet behandelen zoals hij dat doet." In hetzelfde jaar kan hij exposeren in de Galerie Georges Giroux, die de exclusiviteit op zijn werken neemt en hem materiële zekerheid biedt. Dat wordt meteen zijn vruchtbaarste période. Wouter schildert tal van doeken, waaronder het vermelde schilderij, die postimpressio-nistisch aandoen en naar het fauvisme neigen. Hij wordt in België de bekendste fauvist. In al zijn werken overheersen schitterend licht en buitengewone vreugde. Hij maakt ook alsmaar meer prestigieuze sculpturen. De Eerste Wereldoorlog brengt hem met zijn bataljon in een kamp in het Nederlandse Amersfoort. Hij wordt ziek en opgenomen in een Utrechts ziekenhuis. De vreugde maakt in zijn werken nu plaats voor gekiaag, angsten en een énorme ellende. Rik Wouters vestigt zich in juni 1915 met zijn vriendin Nel in Amsterdam. Na een lange lijdensweg overlijdt hij op 1 juli 1916, amper 34 jaar oud.  

 

Anne-Pierre de Kat

Evenals Jacob Smits is de Kat van Nederlandse origine. Hij studeert achtereenvolgens aan de  Academies voor Schone Kunsten van Den Haag, Cent en Brussel. In de hoofdstad leert hij de fauvist Rik Wouters kennen. Samen met hem exposeert hij in de Galerie Georges Giroux, waar in 1912 het Brabants fauvisme wordt voorgesteld. Na zijn inzet in de Eerste Wereldoorlog blijft de Kat de fauvistische lijn volgen. Deze vernieuwende stroming krijgt overigens haar naam van de journalist Louis Vauxcelles die de vertegenwoordiger ervan als "fauve" (wild) bestempelt. Zoals De Vlaminck, Derain, Matisse en Marquer wil de Kat kleur en haar verband met het voorwerp scheiden en de expresseve kracht van de kleuren bevrijden.Als reactie op de visuele sensaties van het impressionisme, blijven de fau­vistische onderwerpen, landschappen, naakten en portretten figuratief maar worden vereenvoudigd. Zoals in vermeld schilderij, waarin het onderwerp weergegeven wordt door zuivere kleurenvlakken die vaak heftig en intens helder zijn. De witte appretuur versterkt vaak de intensiteit van de kleuren.Na een vruchtbare  maar miskende carrière sterft de Kat in 1968 in het Franse La Frette.  

Constant Permeke wordt in 1886 in Antwerpen geboren, waar ook zijn carrière begint. Tijdens zijn studies aan de academies van Brugge (1903) en Gent (1905) sluit hij vriendschap met Frits van den Berghe en Gustaaf De Smet. Zij ondergaan mekaars invloed en Permeke evolueert van impressionisme naar een soort van monumentaal expressionisme, met een voorliefde voor landelijke thema's. Dit brengt hem ertoe de school van Sint-Maartens-Latem te frequenteren, een pre-expressionistische groep in Vlaanderen. Hij werkt tevens in Oostende waar hij in contact komt met Spilliaert en Ensor. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog wordt hij zwaar gewond en overgebracht naar Groot-Brittannië. Na de oorlog keert hij terug naar Oostende om zich vervolgens definitief in Jabbeke te vestigen. Tijdens het Interbellum blijft hij bij zijn landschappen, boerenportretten en landelijke thema's. Zijn werken geven de realiteit van het Vlaamse platteland weer en verheerlijken boeren en zeelui. Permeke zoekt naar universele thema's, zoals de gehechtheid aan de grond, het moederschap en het trieste menselijke lot. Hij brengt details tot het mini­mum terug om in zijn werken een haast monu­mentale expressiviteit te leggen. Hij sterft op 4 januari 1952 in Oostende. Een huis te Jabbeke dat door de kunstenaar is ontworpen, herbergt nu het Provinciaal Museum Permeke. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vindt Permeke een tweede adem. Zijn landschappen zijn onstuimig, krachtig en buitengewoon expressief. De contrasten zijn zeer scherp en geslaagd. Hij stelt de verzorgde en geraffineerde behandeling van de wolk tegenover de haastigheid in het onderste deel. Het grijs, wit en oranje van de hemel vormen een antwoord op het levendige groen en geel van het veld aan de einder. 

 

De invloed van Sint-Martens-Latem

 

Frits van den Berghe volgt samen met Léon De Smet en Albert Servaes les aan de Academie van Gent. Vanaf 1902 is hij vaak in Sint-Martens-Latem, de wieg van het Vlaamse expressionisme. Hij wordt in 1908 zelf docent aan zijn vroegere school en schildert eerst impressionistische werken, beïnvloed door Emiel Claus. De Eerste Wereldoorlog gooit zijn bestaan overhoop, en aïs vader en aïs docent. Hij verlaat eerst het land om naar deVS te gaan en vestigt zich nadien in het Nederlandse Blaricum. In die turbulente jaren sluit hij vriendschap met de expressionistische schilder Gustaaf De Smet. In Nederland maakt hij kennis met de composities van Vincent Van Gogh, Marc Chagall en Franz Marc. De invloed van het expressionisme gaat zijn werk meer en meer kleuren. Dit werk getuigt alvast van deze overgangsperiode. De sombere kleuren komen nog van het vroegere académisme. Tegelijk zijn het opduiken van levendige rode en blauwe kleuren en de geometrische schematisering uitingen van een beginnend expressionisme bij van den Berghe. 

Net zoals Gustaaf De Smet en Constant Permeke uit Frits van den Berghe vervolgens alle facetten van het expressionisme. Zijn drukkende en agressieve werken tonen een lachwekkende en pathetische mensheid. Zij tonen onverhuld de fysieke en morele armoede. De personages nemen het voorplan in. De trekken zijn summier en suggereren het drama door sommige anatomische elementen te vervormen of te vergroten. De tekening is eenvoudig en bakent op strikte wijze de vormen af. De lijnen zijn vaak gebroken om de emotie aan te scherpen. Zijn doeken gebruiken heftige kleuren waarbij bevuilde tonen, zoals grijs en zwart, domineren. De penseelstreken zijn soms brutaal en laten sporen, littekens na die dik en ruw zijn.

Tegen het einde van zijn carrière ondergaat Frits van den Berghe de invloed van Max Ernst, maar vooral van James Ensor. Hij zal getroffen worden door de maskers en gekwelde personen van de Oostendse meester tot aan zijn dood te Gent in 1939.  Na zijn studies in Gent, vestigt Gustaaf  De Smet zich begin 20ste eeuw in Sint-Martens-Latem, net zoals Frits van den Berghe. Hij kent eerst een impressionistische fase, beïnvloed door Emiel Claus.Vôôr de EersteWereldoorlog neigt hij naar het symbolisme maar het conflict dwingt hem naar Nederland te vluchten, waar hij de Duitse expressionisten en de Franse kubisten leert kennen. Zijn veelvuldige contacten met Heinrich Campendonk en Henri Le Fauconnier beïnvloeden zijn oeuvre door de introductie van vervormingen en hevige kleuren. In de twintiger jaren realiseren de werken van De Smet een originele synthèse tussen kubisme en expressionisme. Hij is bijzonder productief in deze période, met een toename van zijn voorkeursthema's: de vrouw, buiten- en stadslandschappen, kermissen en circus. In 1936 zorgt een retrospectieve voor een welverdiende roem, evenals publieke en privé erkenning. De laatste jaren van zijn leven wijdt hij zich aan kleine formaten met eenvoudige onderwerpen,zijn studies in Cent, vestigt Gustaaf De Smet zich begin 20ste eeuw in Sint-Martens-Latem, net zoals Frits van den Berghe. Hij kent eerst een impressionistische fase, beïnvloed door Emiel Claus. Voor de Eerste Wereldoorlog neigt hij naar het symbolisme maar het conflict dwingt hem naar Nederland te vluchten, waar hij de Duitse expressionisten en de Franse kubisten leert kennen. Zijn veelvuldige contacten met Heinrich Campendonk en Henri Le Fauconnier beïnvloeden zijn oeuvre door de introductie van vervormingen en hevige kleuren. In de twintiger jaren realiseren de werken van De Smet een originele synthese tussen kubisme en expressionisme. Hij is bijzonder productief in deze periode, met een toename van zijn voorkeursthema's: de vrouw, buiten- en stadslandschappen, kermissen en circus. In 1936 zorgt een retrospectieve voor een welverdiende roem, evenals publieke en privé erkenning. De laatste jaren van zijn leven wijdt hij zich aan kleine formaten met eenvoudige onderwerpen, landschappen en vrouwelijk halfnaakt.  De grafiek wordt ronder en de kleuren zachter. Gustaaf De Smet sterft in Deurle in 1943.  

 

James Ensor

 Hij is de zoon van een anticonformistische vader en een Oostendse moeder die zijn artistieke carrière niet bepaald aanmoedigt. De jonge Ensor groeit op in Oostende temidden van schelpen, chinoiserieën, glazen snuisterijen en opgezette dieren in de winkel van de famille. Na een eerste initiatie aan de Academie van zijn geboortestad, volgt hij van 1877 tot 1880 les aan de Academie voor Schone Kunsten te Brussel. Hij raakt bevriend met medestudenten, zoals Khnopff, Finch, Van Rijsselberghe, Hanon en met een aantal intellectuelen, zoals Demolder en prof. Rousseau die de anarchistische snaar van de jongeman beroert. Eenmaal terug in Oostende, waar hij nog zelden zal weggaan, trekt hij zich terug onder het fami­liale dak en maakt de eerste meesterwerken. Die eerste doeken wekken al sarcasme en onbegrip. In 1888 schildert hij als 28-jarige het meesterwerk de Intrede van Christus in Brussel dat bewaard wordt in de Stichting Getty van Malibu. In 1894 wordt hem gevraagd in Parijs te exposeren maar het wordt geen succès en dat ver-sterkt zijn mensenhaat en misprijzen voor de mensheid.Vanaf het einde van de eeuw en op het ogenblik dat zijn genie erkend wordt, boert de inspiratie van de kunstenaar achteruit. De productie slabakt en Ensor neigt naar herhaling.Zoals in vermeld doek, staan schelpen en snuisterijen, folkloristisch of eerder bizar, naast het klassieke, de rococo, het parelmoeren licht, de chinoiserieën en de glazen snuisterijen. James Ensor blijft trouw aan deze onderwerpen die uit de ouderlijke winkel komen. Rond 1910 organiseren Rotterdam en Antwerpen een retrospectieve en bij het begin van de twintiger jaren kopen de koninklijke musea van Brussel en Antwerpen doeken van de meester. In 1929 neemt Ensor de Belgische nationaliteit en krijgt hij de titel van baron. In hetzelfde jaar organiseert het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel een grote retro­spectieve van zijn oeuvre. Hij overlijdt, overladen met een in 1949 te Oostende.  

Jane Graverol wordt in 1905 in Elsene geboren. Zij krijgt een muzikale opleiding vooraleer zij de lessen in monumentale schilderkunst gaat volgen bij Constant Montald en Jean Delville aan de Brusselse Academie. Zij exposeert voor het eerst in de galerij Fauconier te Brussel in 1927. Zij is gepassioneerd door Baudelaire, Lautréamont en Poe en haar oeuvre oriënteert zich snel naar beeldgedichten en sur­réalisme. Deze evolutie versnelt nog na studie van het werk van Di Chirico en de ontmoeting met René Magritte in 1949. In de vijftiger jaren is er een tentoonstelling bij Lou Cosyn, dankzij René Magritte en is er de stichting van het gezelschap Temps Mêlés met André Blavier. Deze laatste publiceert in 1953 een tijdschrift dat helemaal gewijd is aan de composities van Graverol, met teksten van Magritte, Marïen, Irine en Louis Scutenaire. Naar het voorbeeld van Paul Delvaux, die de officiële structuur van het surréalisme afwijst, treedt Graverol niette-min toe tôt de groep en ontmoet André Breton. Hij zet haar ertoe aan een bezoek te brengen aan Marcel Duchamp in New York, wat zij ook doet in 1963. In navolging van de surrealisten focust Graverols werk op de droom, de inbeelding, het enigma, het mysterie, het ongewone, het potsierlijke en het gemene. De surrealisten respecteren volledig de ideeën van Sigmund Freud en leggen ook de nadruk op de droom, met zijn absurde ontmoetingen, vormveranderingen en paradoxale combinaties. Zoals Magritte drukt Graverol haar dromen uit met een fotografisch illusionisme. Het nauwkeurige penseel en de zorg voor het détail verlenen het"surreële" een waarachtig karakter. 

 

René Magritte

 Hij wordt in 1898 te Lessines geboren. Dit zijn jeugd blijft hem de zelfmoord van zijn moeder  bij. Zij wordt dood gevonden met haar kamerjas over het gezicht. Deze gebeurtenis heeft Magritte sterk aangegrepen en het thema van het bedekte gezicht duikt vaak op in zijn werk. Dikwijls ook zijn er signa-len van depressie en melancholie, een soort van projectie van het levensleed vanwege de moe­der op haar zoon. Magritte studeert schilder-kunst aan de Académie voor Schone Kunsten te Brussel. Zijn interesse gaat uit naar het kubisme en het futurisme maar echt gebonden daardoor wordt hij niet. Zijn kennismaking met het werk van Giorgio De Chirico daarentegen is voor hem een openbaring. In 1927 staat hij dicht bij de Belgische surrealisten en gaat hij kennismaken met de Parijse vertegenwoordigers van deze stroming, waaronder André Breton. Hij ontmoet Eluard, Miro en Dali. Magritte onderhoudt nadien de beste contacten met Belgische en Parijse surrealisten. Na zijn verblijf in Frankrijk blijft hij in België, wat een internationale doorbraak niet in de weg staat. Zijn werk is inderdaad veel revolutionairder dan het lijkt: het beeld is geen werkelijkheid, wel een illusie, een overbodig schijnbeeld... "Dit is geen pijp". Dat is alleszins zijn boodschap, de ironie die hij verkondigt. Hij sterft in 1967 na meer dan duizend werken te hebben geschilderd.In 1935 schildert Magritte deze gouache, waarin wij al meerdere karakteristieke elementen van zijn oeuvre tegenkomen: de trombone uit Met Centrale Verhaal en de Overstroming, de leeuw uit Heimwee, de torso van de vrouw die hij schildert in De Waterdruppel en Als het uur zal slaan. Twee jaar later inspireert Magritte zich hierop om een groot formaat te schilderen voor de Engels verzamelaar Edward James. Vervolgens maakt hij drie grote werken: Op de drempel van de vrijheid, Het rode model en De geïllustreerde jeugd. Gedurende meer dan 35 jaar verzamelt James meesterwerken van de hedendaagse kunst op verschillende plaatsen in Londen, Italie en na 1940 ook in deVS.  

Als hjj 23 is, schrijft Paul Delvaux zich in voor de afdeling architectuur en nadien voor decoratief schilderen bij Constant Montald aan de Academie voor Schone Kunsten te Brussel. Hij is afkomstig van Antheit, dichtbij Huy. Hij concipieert dan de eerste postimpressionistische doeken en schildert enkele sta­tions, een thema dat hij later meermaals behandelt. In de dertiger jaren beïnvloeden expressi-onisme en de persoonlijkheden van Permeke en Gustaaf De Smet de jonge kunstenaar. In 1934 neemt zijn carrière een definitieve wending als hij op de tentoonstelling Minotaure in Brussel de schilderijen van Chirico, Dali en Magritte ziet en een wereldvisie bespeurt die gebaseerd is op het mysterie.Van dan af ziet hij alleen nog het spoor van het surrealisme. Toch behoort Delvaux nooit officieel tot een groep van surrealisten, wat hen niet belet hem uit te nodigen op hun exposities van 1938 in Londen en Parijs en in 1940 in Mexico. In die période schildert hij zijn meesterwerken. En zo krijgt hij in 1944 al een retrospectieve in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Vanaf 1946 worden zijn stijl en composities meer decoratief. Nadien ondergaat hij de invloed van Picasso. In de vijftiger jaren maakt Paul Delvaux grote panelen over kruisigingen en begrafenissen, waarin skeletten opduiken, zoals in vermeld werk dat in het Musée d'Art wallon te Liège bewaard wordt. Zijn vele daaropvolgende doeken en tekeningen vinden inspiratie in kinderherinneringen, kleine stations, treinen en schemeringen. Hij gaat definitief in Koksijde wonen waar in 1979 de Stichting Paul Delvaux opgericht wordt. Hij is intussen geëerd in Parijs, Rotterdam.Tokio, Kyoto en Sao Paulo. Hij overlijdt in 1994 in zijn mooi verblijf aan de Belgische kust, dat nu een schitterend muséum herbergt, gewijd aan zijn werk.  

Louis van Lint wordt in 1909 te Sint-Joost-ten-Node geboren en studeert aan de Academie van zijn geboortestad. Vanaf de dertiger jaren speelt hij een grote rol in het Belgische artistieke leven. Met Anne Bonnet en Gaston Bertrand sticht hij in 1939 La Route libre en in 1941 de groep Apport die jonge kun­stenaars een kans wil geven. In 1946 ligt hij aan de basis van Jeune Peinture en wijdt hij zich definitief aan de abstracte kunst. Deze toont vormen die niet meer de reële objecten van de buitenwereld weergeven. Fauvisme, expressionisme en kubisme zijn verwant aan het abstrac­te maar niet meer dan dat. Het abstracte vormt een breuk in de kunstgeschiedenis.Vermits het niet meer de buitenwereld weergeeft, breekt het met het verleden. De abstracte kunst kent meerdere vormen, gaande van lyriek tot geometrie. Vermeld werk staat symbool voor de werken van van Lint tijdens de vijftiger jaren. Tegen een felle achtergrond is de compositie gestructureerd rondom zwarte lijnen die kleurenvlekken afbakenen en doorsnijden. In de niet-figuratieve kunst vermengen kubisme, fauvisme en een abstracte vorm zich. De kunstenaars nemen de stijl over van glasramen, brandschildering en middeleeuwse tapijten. Alle werken verliezen hun figuratief karakter om de ruimte uit te drukken.  

Pierre Alechinsky wordt in 1927 te Brussel geboren. Hij volgt de lessen van de Ecole nationale supérieure d'Architecture et des Arts décoratifs van Terkameren in Brussel. Hij krijgt er onderricht in illustratie, druktechnieken en fotografie. Hij leert vlug Michaux, Dubuffet en de surrealisten kennen. In 1949 ontmoet hij dichter Christian Dotremont die, samen met Karel Appel en Asger Jorn, de bewe-ging Cobra (Copenhagen, Brussel, Amsterdam) heeft opgericht. Hij neemt deel aan de eerste tentoonstelling ervan in Amsterdam. Het jaar 1952 wordt een scharnierpunt voor Alechinsky want hij begint een briefwisseling met de kalligrafe Shiryu Morita in Kyoto. Hij leert ook de Chinese schilder Wallace Ting kennen die een belangrijke invloed op zijn werk zal hebben. In 1955 verdiept hij zijn kennis van de Japanse kalligrafie in Tokio. In 1963 vestigt hij zijn atelier in Bougival, in de omgeving van Parijs. Hij is dan internationaal bekend. Tijdens de zeventiger jaren komen er alsmaar meer tentoonstellingen in Nederland, Brazilië, VS, Canada, Zwitserland, Israël en Frankrijk. Zijn carrière staat in het teken van het zwart, van de kalligrafie en van het contrast. Zijn werken zijn mengsels van schrift en tekening, margi­nale elementen en centrale verhaal, humor en poëzie, verbale en plastische verbeelding. Hij werkt op de drager via een lange oosterse penseel. Hij houdt meteen ook een afstand die ten goede komt aan het evenwicht van wat er bewust op de pagina komt. Hij wordt in 1983 docent schilderkunst aan de Ecole nationale supérieure des Beaux-Arts te Parijs en exposeert in Mexico, Montréal, New York, Saint-Paul-de-Vence, Madrid, Hannover, Peking, Tunis, Caracas en Taipei. In 1998 maakt Alechinsky een muurschildering in geëmailleerd lava voor de ingang van het nieuwe Théâtre de Belgique. Hij is nog steeds actief in zijn atelier te Bougival.  

 

 

STRIPVERHALEN

 

 

 Belgische strips vind je zowat overal ter wereld. Dat op zich is al een enorme verdienste. Met talent blijft zich echter aanmelden en, samen met de vaste waarden, zorgt dit voor een rist aan helden die makkelijk een telefoonboek vult. Enig chauvinisme is voor eenmaal toegelaten.Want als je ons stripverhaal op zijn culturele waarde doorlicht, dan kan je enkel maar erkennen dat het getuigt van een opvallende rijkdom. Wie dit durft ontkennen, beseft geeneens dat onze papieren helden zowat over­al ter wereld België cultureel op de kaart hebben gezet. En zelfs enigszins verduidelijken... Het jonge volkje haalt dus zijn hart op aan de spetterende avonturen van Robbedoes.  Het staat paf van het precisie schietvermogen van Lucky Luke. Het stelt niet eens meer vragen bij de wonderlijke avonturen van Suske en Wiske  of bij   het  uitermate  zonderlinge gezelschap rond Nero. Het sluit de Marsipulami in de armen en raakt helemaal vertederd door de Smurfenwereld. Gargamel kan derhalve alleen maar op afkeer rekenen. Decors vol onvermoeibare helden en heldinnen die in de hele wereld harten stelen. Daartoe spreken zij nu eens Maleis, dan weer Turkmeens, Swahili of Chinees. Bestemd voor kleine en (veel) minder kleine kinderen. Creatieve tekenaars, geïnspireerde scenaristen maar evenzeer dynamische uitgevers (Dupuis, Le Lombard, Casterman, Standaard Uitgeverij...) hebben van het stripverhaal een heuse Belgische specialiteit gemaakt. Daarom hebben wij het over de "negende kunst", met een universele dimensie en continu in evolutie. Het Belgische stripverhaal gaat ook mee met zijn tijd. Het vormt als het ware een schitterend allegorisch fresco, waarin je onweerstaanbaar ondergedompeld wordt. Een Belgische superproductie dus!  

André Franquin (1924-1997) neemt, als tekenaar en scenarist, van Jijé de avonturen van Robbedoes en Kwabbernoot over en voegt nieuwe personages toe, zoals IJzerlijm en de graaf van Rommelgem. Hij creëert echter ook nieuwe helden die de harten van de Europese stripliefhebbers zullen veroveren: Ton en Tinneke, de Marsupilami, een absoluut uniek stripdier, en Guust Flater, de ultieme antiheld en bijzonder opmerkelijke uitvinder. Hij sticht in 1977, samen met Yvan Delporte, een autonome bijlage van het blad Robbedoes (Le Trombone illustré) waarin de eerste verhalen (Idées noires - Zwartkijken) verschijnen die uitblinken door zwarte humor en die (in zwart-wit) het beest in de mens op de korrel nemen. De levendige en expressieve stijl van Franquin maken hem tot een van de markantste voorbeelden van de beroemde school van Marcinelle (vestigingsplaats van de uitgeverij Dupuis). Hij beïnvloedt ook tal van andere striptekenaars. De Marsupilami leeft overigens voort in de tekenfilm en in de strips van de Belg Batem.   

 

Wist je ... dat België het grootste aantal striptekenaars per vierkante kilometer telt?

 

 

Edgar Pierre Jacobs (1904-1987) gaat de geschiedenis in als tekenaar en scenarist van Blake en Mortimer.Wanneer de eerste pagina op 26 september 1946 verschijnt in het eerste nummer van het blad Kuifie (Het Geheim van de Zwaardvis) treedt Jacobs meteen de legende in. Voordien realiseert hij al een sciencefiction strip (De 'U'-Straal) en werkt hij samen met Hergé bij de productie van meerdere Kuifje-albums. Vanaf 1947 wijdt hij zich nog enkel aan zijn eigen reeks en zien acht klassiekers het licht: Het Geheim van de Zwaardvis (1946), Het Mysterie van de Grote Piramide (1950), Het Gele Teken (1953), Het Raadsel van Atlantis (1955), S.O.S. Meteoren (1958), De Valstrik (1960), Het Halssnoer van de Koningin (1965) en De 3 Formules van Professor Sato (1977) (deel 2 wordt geillustreerd door Bob de Moor in 1990). De flegmatische kapitein Blake, de onstuimige professor Mortimer en de duivelse kolonel Olrik leven overigens verder dankzij de scenario’s van Jean Van Hamme en Yves Sente. De duidelijke grafische vormgeving, het hyper-réalisme, de meesterlijke enscenering en het subtiele mengsel van de sciencefktion, fantastische en politieroman maken Edgar P. Jacobs ongeëvenaard. Hijzelf spreekt trouwens van een opera op papier...  

Willy Vandersteen (1913-1990) is een tekenaar en scenarist met een ongebreidelde verbeelding. Hij zorgt voor meer dan 1000 albums en wordt door Hergé de Bruegel van het stripverhaal genoemd. Suske en Wiske worden vedetten en de strip verschijnt eerst, en dit vanaf 1945, in een aantal dagbladen.Tussen 1948 en 1959 publiceert het blad Kuifie hun avonturen en dat zijn niet de minste: Het Spaanse Spook, De bronzen sleutel, De schat van Beersel en twee afleveringen van Tijl Uilenspiegel. De auteur slaagt er in een dynamisch geheel te scheppen met allerhande uitgesproken personages (Lambik, Sidonia, Professer Barabas) die niet alleen probleemloos de continenten maar ook de grenzen van de tijd doorkruisen. Het succes noopt hem talentrijke helpers te zoeken. Zo ontstaat Studio Vandersteen, met (vanaf 1969) Paul Geerts aan het hoofd. Naast Suske en Wiske, lanceert de tekenaar andere series, zoals Bessy (1952), De Rode Ridder (1959), Jerom (I960), Robert en Bertrand (1972) en De Geuzen ( 1985), een strip die zich ook afspeelt in de 16deeeuw, een période waarvan Vandersteen erg houdt. Zijn verhalen zijn alleszins een geslaagd mengsel van spanning, humor, fantasie en emotie!   

Wist je ... dat tussen 1965 en 1985 wekelijks een Bessy-album geproduceerd wordt en op 200.000 exemplaren gedrukt, enkel en voor de Duitse markt?

 

Marc Sleen maakt eerst naam  met karikaturen en satirische tekeningen. Later introduceert  hij, net zoals Willy Vandersteen, het stripverhaal vol humor en avontuur in de Vlaamse dagbladpers. Hij is de vader van De Lustige Kapoentjes en Piet Fluwijn en Rolleke. Maar hij zal onverbrekelijk verbonden blijven met Nero, de held in meer dan 200 albums. Marc Sleen is trouwens de absolute recordhouder van het aantal strips met hetzelfde hoofdpersonage dat door één tekenaar geproduceerd wordt! Het begin allemaal in het dagblad De Nieuwe Gids, als een knettergekke familie de eerste doldwaze avonturen beleeft. Nero maakt er zijn opwachting als een vrolijke levensgenieter, met vlinderdas en (hoogst merkwaardig!) twee laurierblaadjes achter elk oor. Hij schuimt tegen een opmerkelijk tempo de wereld af, in het gezelschap van bijzonder kleurrijke mede-spelers, en geeft blijk van een ongeremde fantasie en aanstekelijke humor. De dubbele bodems zijn vaak niet ver, met toespelingen op de Belgische en internationale actualiteit. Heel wat bekende politieke zwaargewichten maken hun opwachting in de diverse verhalen.  

Peyo (Pierre Culliford, 1928-1992) creëert, als scenarist en tekenaar, diverse personages. Johan en Pirrewiet beleven middeleeuwse avonturen, er is Poésie, een kleine kat, en Steven Sterk verbaast de wereld met zijn bovennatuurlijk kracht die hij echter moet inleveren aïs hij verkouden raakt. Maar vooral De Smurfen betekenen voor Peyo internationale bekendheid. Deze kleine blauwe wezentjes, met hun witte mutsen, spelen oorspronkelijk slechts een bijrolletje in De fluit met zes gaten (1958), een verhaal van Johan en Pirrewiet. Maar spoedig wordt het album herdoopt tôt De fluit met zes smurfen en komt er zelfs een verfilming in samenwerking met Yvan Delporte. Zo groeit er een wereld vol fantasie, humor, poëzie en tederheid. De Smurfen gaan ook internationaal via albums, tal van afgeleide producten, een Amerikaanse tv-serie en zelfs een attractiepark in Frankrijk. Het enorme succès brengt Peyo ertoe een eigen uitgeverij en studio op te rich-ten, waar heel wat tekenaars de stiel leren (Walthéry.Wasterlain,...) Na zijn overlijden zet Peyo's zoon Thierry Culliford de traditie voort. De Smurfen blijven dus met hun avonturen de wereld veroveren.  

Jijé (Joseph Gillain 1914-1980) is niet alleen een geniaal artiest, hij is ook een pionier van het stripverhaal in Europa. Zijn invloed op talentrijke tekenaars, zoals Franquin, Will, Morris, Paape, Hubinon, ... is enorm. Hij geeft hen daarenboven goede raad en moedigt hen aan. De creatieve duizendpoot Jijé wordt overigens binnen de kortste keren de leidende kracht achter het blad Robbedoes. In 1939 start hij de reeks Blondie en Blinkie, later overgenomen door Hubinon, in 1941 ontstaat Jan Kordaat, detective, een reeks die Eddy Paape zal verderzetten. Met Jerry Spring creëert hij in 1954 één der mooiste westernseries in het stripverhaal, en dat 25 albums lang. Hij stelt evenwel zijn realistisch grafisch talent ook ten dienste van andere stripreeksen: Robbedoes (Rob-Vel), Tanguy en Laverdure (Uderzo) en Roodbaard (Hubinon). Hij bijt daarenboven de spits af met indrukwekkende getekende biografieën. Don Bosco (1941), Cristofîel Columbus (1942-1945) en Baden Powell (1948-1950) zijn er maar enkele van.Jerry Spring beïnvloedt, door zijn dynamiek en humanisme, tientallen jaren lang de westernstrip, gaande van Jean Giraud (Blueberry) tot Hermann (Comanche). De reeks wordt in 1990 overgenomen door Franz.  Jacques Martin wordt in 1921 in  Straatsburg geboren maar zal als tekenaar en scenarist altijd in België actief zijn. Samen met Hergé, Edgar-Pierre Jacobs en Bob de Moor behoort hij trouwens tot de beroemde Brusselse school, bekend om zijn streng realisme.

Voor het blad Kuifje bedenkt hij in 1948 de série Alex, een jonge Galliër in het oude Rome. Hij ontpopt zich meteen aïs de onbetwiste meester van de historische strip, ook al volgt in 1952 met reporter Lefranc een hedendaagse held. Hij is overigens een echte dubbelganger van Alex. Hij lanceert dan twee historische séries: in 1978 Jhen (oftewel "Tristan (Madoc)"), getekend door Jean Pleyers, en in 1983 Arno, getekend door André Juillard. Martin keert evenwel terug naar de oude wereld met Orion (het oude Griekenland - 1990), Keos (het oude Egypte -1992) en vooral De reizen van Orion (1992). Deze laatste serie komt er dankzij diverse medewerkers en de respectievelijke albums geven een merkwaardig beeld van de belangrijke sites uit de oudheid. Jacques Martin heeft noodgedwongen het tekenen meer en meer vervangen door het schrijven van scenario's en het opleiden van jong talent dat op zijn beurt weer de personages van de meester in leven houdt. Alex blijft alvast uniek in de wereldgeschiedenis van het stripverhaal, dankzij de historische basiskennis en de klare, uitgewerkte, klassieke tekenstijl.  

 

Wist je ... dat sommige albums van "Alex" in het Latijn vertaald en in scholen gebruikt worden?

 

 

Morris (Maurice De Bevere 1923-2001) mag je rustig één der vaders van het stripverhaal noemen. Hij behoort, samen met Franquin, Jijé en Will, tot de bekende "bende van vier" en is de schepper van Lucky Luke die voor het eerst opduikt in de Robbedoes Almanak van 1946. Het wordt een successtory die meerdere generaties zal bekoren. Wie kent Lucky Luke niet, de man die sneller schier dan zijn schaduw (een vondst van Morris zelf)? Of de onverbeterlijke Daltons, om nog maar te zwijgen van Rataplan, veruit de domste hond in het wilde westen? Het resultaat is indrukwekkend: bijna 90 albums, vertaald in een dertigtal talen. Diverse tekenfilms worden gemaakt, o.m. Daisy Town, door de Brusselse studio's Belvision (1971) en De Daltons op vrije voeten, door de studio's van Hanna-Barbera in Los Angeles (1983). Lucky Luke komt zelfs tôt leven in 1991 via Terence Hill. De cowboy geniet dus van internationale faam, mede dankzij Amerikaanse tekenfilms, internationale merchandising en zelfs een Themapark in Portugal. En dat valt makkelijk te verkiaren door de humor, de fantasie, de authenticiteit en de expressiviteit van de verhalen. Een klassieker dus in wat Morris zelf de 9de kunst noemt.  

 

Wist je ...dat Morris een onderscheiding ontvangt van de Wereldgezondheidsorganisatie omdat hij de sigaret van Lucky Luke vervangt door een grassprietje?

 

 

Jean van Hamme wordt, omwille van zijn veelzijdigheid als scenarist, als één der grootste hedendaagse stripauteurs beschouwd. Het succes van de reeks XIII, getekend door William Vance, wordt geïllustreerd door een recordverkoop en tal van afgeleide producten (videospelletjes, telefoonkaarten, kleren, ...). Van Hamme is ook romanschrijver, zorgt voor film- en tv-scripts, zijn realistische kant dus, maar geniet duidelijk van zijn exploraties in de tijd en in de ruimte. Zijn universum gaat zodoende van heldenfantasie à la Thorgal tot het wilde westen in Western. Hij werkt met diverse Belgische tekenaars, zoals Cuvelier (Corentin), Dany (Avontuur zonder helden), Francq (Largo Winch), Griffo (S.O.S. Geluk), Denayer (Wayne Shelton), Hermann (Bloedbruiloft) enz... Hij maakt tevens het scenario van twee recente albums van Blake en Mortimer. Tenslotte neemt hij zelf de televisiebewerking en de romanversie voor zijn rekening van zijn meesterlijke saga De Meesters van de Gerst. Zijn samenwerking met Jean-Michel Charlier (Buck Danny), Yves Duval (Toenga), Yvan Delporte (De Smurfen), Raoul Cauvin (De Blauwbloezen), André-Paul Duchateau (Rik Ringers), Jean Dufaux (Jessica Blandy), Michel Greg (Olivier Blunder) en andere, nieuwe namen (Lapière, Desberg, Tome,...) onderstreept ten ASSB overvloede de veelzijdigheid van Jean van Hamme. Met hem krijgt de scenarist de plaats die hem toekomt binnen de stripwereld.   

 

Wist je ... dat "Het Vonnis", een album uit de reeks "XIII", in feuilletonvorm verschijnt in de Franse krant "La Libération"?

   

 

 

KUNST: TONEEL , OPERA, FILMS

 

 

 Deze titel komt van Michel de Ghelderode, als hommage aan Toone, wiens theater begin 19de  eeuw ontstaat in de volkse Marollenwijk.  Pionier is Antoine Genty, oftewel "Toone de oude", die eerst als reizend poppenspeler aan  de kost komt en wiens nageslacht een definitieve stek vindt in de buurt van de Grote Markt. Onder impuls van José Géal, stichter van "Le Théâtre de 'Enfance" (1954) en later voorzitter van de desbetreffende Internationale Vereniging, vindt de marionet een tweede adem in Brussel en elders in het land.

Toone VII zet in de hoofdstad de traditie verder en geeft haar moderne impulsen. De marionet gaat daar trouwens al terug tot in de tijd van Karel V. Elders doen de poppentheaters ook voort, elk op de hen eigen wijze. In Antwerpen spelen marionetten zonder draad en in Gent inspireren ze zich rechtstreeks op de personages van de Commedia dell'Arte. In Liège grijpt men terug naar Conti, een Italiaans poppenspe­ler met typische heldenliedjes. Dwarsligger Tchantchès is er het meest bekende personage. In Tournai verwijzen de archieven eveneens naar een heel oude traditie. De meeste marionetten in België bewegen met staven en het répertoire omvat indrukwekkende exploten van ridders, volkse legenden, verhalen over belangwekkende historische of religieuze gebeurtenissen.

  

De grote danseres Akarova

Dankzij een kleurrijke scenografie en de aanwezigheid van een gekostumeerd personage, is het schilderij jazz Music (omstreeks 1942, naar het werk van de Belgische componist Marcel Poot) karakteristiek voor het schilder-en beeldhouwoeuvre van de kunstenares. Zij houdt er immers van haar eigen choreografieën af te beelden. Met een stevige muzikale basis begint Akarova in 1920 aan een schitterende danscarrière. In 1923 huwt zij de schilder Marcel-Louis Baugniet en komt in constructivistische middens die tal van décors en kostuums maken voor de choreografe. Er wordt van haar gezegd dat zij de danseres is van de groep 7 Arts en het dient gezegd dat haar gebaren sterk aansluiten op de zuivere plasti-sche kunst. Zij is ontegensprekelijk de grote avant-garde danseres van België, wat blijkt uit décors, kostuums en tal van foto's die in de ten-toonstelling te zien zijn. Begin 30er jaren ontmoet Akarova kunstenaars van de groep Nervia, waaronder de schilder Anton Carte. Tussen 1935 en 1940 raakt de artieste steeds meer geïnteresseerd in schilderkunst en beeldhouwen, iets wat nog sterker wordt van 1945 tt 1990. En zo tekent Akarova voor een rijk oeuv­re dat een intieme spiegel is van haar dansen. Zij geeft de lichten van de scène hun voile waarde in Petrouchka, Chout, Faune en Oiseau de feu en zo verwijzen haar dromerige schilderijen en sculp-turen de bewegende personages naar de achtergrond. Het wordt een picturaal orkest dat de getuigt van de krachtige synthèse in haar werk, dat zij tot in het midden van de negentiger jaren schept.  

Maurice Béjart heet eigenlijk Maurice Berger als hij in 1927 in Marseille geboren wordt. Bovendien komt hij pas tot voile ontplooiing in ons land. Zijn opleiding tot danser en choreograaf krijgt hij in Parijs en Londen. In 1959  belandt hij te Brussel waar hij op vraag van   de toenmalige directeur van de Munt, Maurice Huisman, het ballet Le Sacre  du Printemps creëert, op muziek van Stravinski. In 1960  richt hij het Ballet van de XXIste eeuw op, een gezelschap dat zal schitteren in zijn meest prestigieuze choreografieën.Béjart is een uitgesproken voorloper en hij weet zich te omringen met de best dansers. Ballet wordt bij hem een totaalspektakel met zelfs een metafysische dimensie. In 1987 verlaat hij België om in Zwitserland het Béjart Ballet Lausanne te gaan oprichten.

Maar gelukkig telt ons land nog andere talentvolle choreografen. Internationale faam vergaren bijvoorbeeld vernieuwende initiatieven, zoals het Ballet de Wallonie van Frédéric Flamand en Het Ballet van Vlaanderen van Jeanne Brabants. Het gezel­schap Rosas van Anne Teresa De Keersmaeker geniet wereldbekendheid. Idem dito voor Franco Dragone, wiens inventieve creaties te zien zijn in Las Vegas en Disneyland. Daarmee bewijzen de Belgische choreografen internationaal en met brio dat zij modern en dynamisch blijven.  Is je het hebt over het gezelschap Rosas, kan je niet om Anne-Teresa De Keersmaeker heen. En zij is zowel danseres, choreografe, muziekpedagoge aïs mélomane. Na de eerste successen sticht zij in 1983 haar eigen dansgezelschap. Al in de eerste creaties ontmoeten muziek en dans mekaar, flirt de dans met de muziek en wordt deze laatste de positieve katalysator. Anne-Teresa ondermijnt de grenzen van de twee disciplines door de muzikanten op de scène te zetten en van hen een onderdeel te maken van de scenografie. Dat gebeurt o.m. in Drumming (1998). Rosas kent successen in België en in het buitenland en toert in Frankrijk (Festival van Avignon), Nederland (Holland Festival)...Samen met de Munt zetten Anne-Teresa en Rosas het internationaal educatief project P.A.R.T.S. (Performing Arts Research and Training Studio) op. Cursisten van over heel de wereld krijgen hier drie jaar les die hen ook muziekgehoor, theaterbegrip en algemene cultuur bijbrengt.Met bewijs van erkenning aan maestra Anne-Teresa vormt ongetwijfeld de retrospectieve 20 jaar Rosas in net Paleis voor Schone Kunsten te Brussel in 2003/2004. Enige tijd geleden verheugt de Belgische pers zich over het feit dat Céline Dion zich in België komt vestigen. Eigenlijk wil zij een lang gekoesterde droom realiseren: een grandioze show die geconcipieerd zal wor-den door Franco Dragone ( 1952). En het wordt een vruchtbare samenwerking, geconcretiseerd door de superproductie A New Day, waarin Dion op de scène begeleid wordt door 58 musici, vocalisten en dansers. De ouders van Dragone zijn afkomstig van Cairano (Italie) en vestigen zich in La Louvière. Al op heel jonge leeftijd interesseert Franco zich voor muziek en sport. Als hij gaat studeren aan het conservatorium van Mons vindt hij daar de idéale voedingsbodem voor zijn artistieke ideeën. Hij maakt dan ook snel deel uit van de beweging théâtre action die hij mee gestalte geeft in zijn nieuwe woonplaats La Louvière. Tijdens een reis in Québec (1982) wordt Dragone ontdekt door het Cirque du Soleil. Twaalf jaar lang creëert hij 9 voorstellingen met een hoogsteigen en onnavolgbare stijl binnen de spektakelwereld. In 1999 keert hij terug naar België en start een productie-eenheid op in La Louvière. Voorstellingen als de watershow voor Steve Wynn in Las Vegas en de Disney Cinéma Parade (2002) zien het licht. Een heel veelbelovende toekomst wenkt!  Het Ballet komt er op 2 december 1969 en stelt vanaf september 1970 als eerste spektakel Prometheus voor. Jeanne Brabants heeft het ballet dan onder haar dyna-mische hoede en zij streeft naar een professioneel gezelschap in Vlaanderen. Onder haar leiding komt er een gevarieerd répertoire, met ook eigen creaties.Vanaf 1976 komt internatio­nale erkenning in verschillende Europese landen, Noord- en Zuid-Amerika en Azië. Vooraleer de wegen van Jeanne Brabants en het KBvV scheiden, bouwt zij in slechts dertien jaar een solide nationale en internationale faam op. Artistieke opvolgers worden de Rus Pavlov en vervolgens Robert Denvers die net aangekondigd heeft het gezelschap te verlaten na het seizoen 2004-2005. Voor hem meteen het einde van 18 jaren dienst, programmeringen (Maurice Béjart, Flemming Flindt...) en creaties. Zijn assistent en aangestelde KBvB-choreograaf, Danny Rosseel, zien hun bevestiging in het laatste programma Inner Glances.  

 

Wist je ... dat het internationale succes "Ten oorlog" van Tom Lanoye en Luk Perceval niet minder dan 11 uur duurt?

 

 

Onze dansgezelschapen maken het internationaal en stukken van Belgische auteurs hebben succès in net buitenland .Maar onze theatergezelschappen schitteren evenzeer, dankzij talentrijke directeurs, régisseurs en acteurs. Ons land heeft natuurlijk zijn beperkingen maar geen probleem, acteurs van bij ons presteren zowel op de scène als op het grote en kleine scherm, tot zelfs in de musical toe. Artiesten als Benoît Poelvoorde, Philippe Geluk, Urbanus, Stéphane Steeman, Rosa Geinger, Annie Cordy e.a. zijn nu eenmaal heel polyvalent. Ann Petersen, Roger Van Hool, Jean-Claude Drouot, Dora Van Der Groen, Marie Gillain, Chris Lomme, Julien Schoenaerts en zovele anderen beheersen het métier even goed op de planken aïs op de filmset. Het is geen toeval dat zij en tal van minder bekende collega's allerhande prijzen ("Eve du Théâtre", "Louis d'Or", "Théo d'Or") in ontvangst mogen nemen. Fernand Gravey kiest voor Hollywood, na zijn successen op de planken van de Galeries, Jan Decleir houdt het bij het toneel, ondanks zijn filmtriomfen. Hij maakt ooit deel uit van het bekende Antwerpse gezelschap "Internationale Nieuwe Scène" dat het werk van Dario Fo hier introduceert maar hij is later tevens artistiek directeur van de Studio Herman Teirlinck, kweekschool bij uitstek voor aankomend toneeltalent.  

 

Wist je ... dat Jan Decleir een rol weigert in een James Bond film en in "Eyes wide shut" van Kubrik omdat hij het theater verkiest?

 

 

Christiane Lenain is ongetwijfeld de populairste actrice van de voorbije decennia. Zij vertolkt in het Théâtre des Galeries tal van komische personages, aan de zijde van haar spitsbroeders Serge Michel en Jean-Pierre Loriot. Regisseur is haar latere echtgenoot: Jean-Pierre Rey. In Le Mariage de Mademoiselle Beulemans (1910) van Fonson en Wicheler viert zij haar grootste triomfen, eerst als dochter ( 1960) en 20 jaar later als moeder. Het stuk zelf is een mondiaal succès en inspireert Marcel Pagnol voor zijn Marseillaanse trilogie Marius-Fanny-César. Het betrokken gezelschap ziet het licht in het seizoen 52-53 maar Rideau de Bruxelles (17 maart 1943) mag de eer opeisen van oudste theatergezelschap in de hoofdstad. Het Théâtre National ontstaat twee jaar later, onder impuis van Jacques Huismans die tot1985 directeur ervan is. De oudste schouwburg van Brussel is evenwel Vlaams: de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (1895!)  

 

Wist je... dat "Le Mariage de Mademoiselle Beulemans" in een 15-tal talen opgevoerd wordt en dat de hoofdrol in Japan gespeeld wordt door een jongen?

  

Dora Van Der Groen en Ann Petersen schrijven filmgeschiedenis als de twee zussen in Paulin en Paillette van Lieven Debrauwer. Zij zijn bei-den geboren in 1927 en hebben een vergelijkbare carrière binnen het KVS-gezelschap, op tv en in de film. Zij zijn de leading ladies van het acteervak en tal van Vlaamse producties hebben heel veel aan hen te danken. Belgische gezelschappen brengen overigens vaak een eerbetoon aan werken van eigen bodem. Dat doet o.m. De Blauwe Maandag de, o.l.v. Luk Perceval, met Wilde Leo (1894) van Nestor de Tière en Ten oorlog (1997) van Tom Lanoye. Dit laatste werk is een hedendaagse bewerking van Shakespeares The wars of the roses en een modem pamflet tegen de oorlog. Het kent ook veel succès in het buitenland. Stukken van Hugo Claus worden opgevoerd door zowel het Théâtre National (Vendredi) als door het oudste Gentse gezelschap Arca (Pas de deux). Het gezelschap "Rideau de Bruxelles" kiest stukken van Paul Willems en zet Il pleut dans ma maison (1958) op zijn internationaal répertoire. En dan hebben wij het niet eens over opvoeringen van Michel de Ghelderode, zoals Magie rouge (Théâtre du Parc) of La Balade du Grand Macabre (National). Dit stuk wordt ook weerhouden door Les Baladins du Miroir die met hun tent en pittoreske kermiswagens de weg opgaan, in het spoor van andere vaderlandse gezelschappen, naar prestigieuze festivals zoals dat van Avignon.  

In 1832, dus voor de cinematograaf van de gebroeders Lumière, knutselt de Belg Joseph Plateau al zijn phénakisticope in mekaar. Meteen een grote stap naar de 7de kunst, zoals later zal blijken. Zonder deze Belgische inbreng zou er dus geen cinéma geweest zijn, kan je met enige zin voor overdrijving stellen. Maar net zal wel tot na de EersteWereldoorlog duren vooraleer er van Belgische films sprake is. Affiches, foto's, kostuums, projecties... vertellen over de heroïsche dagen van de cinéma. Regisseurs, scenaristen, acteurs en componisten vullen dat allemaal aan.  

De pioniers

De Belgische voorlopers van de 7de kunst nemen het lokale gebeuren als uitgangspunt voor hun eerste prenten. Edith Kiel doet dat in Antwerpen, Gaston Schoukens in Brussel. Deze laatste inspireert zich met Bossemans et Coppenolle (1938) op de Brusselse folklore en vertelt met Un soir de joie (1952) het verhaal van de valse Le Soir in 1943.  

De documentaristen

De documentaristen kiezen voor Belgische artiesten, het dagelijks leven in ons land en Congo als favoriete onderwerpen. En zij vesti-gen daarmee een internationale reputatie. Boegbeelden zijn Henri Storck (Misère au Borinage in 1933, Symphonie paysanne in 1944, Le Banquet des fraudeurs in 1951) en Charles Dekeukeleire (Le mauvais oeil in 1937, Dixmude in 1931). Meeuwen sterven in de haven ( 1955) en De heren van het woud (1958) sluiten aan bij deze glorierijke traditie. En ook cineasten als Luc de Heusch, Manu Bonmariage, Thierry Michel, Benoît Mariage, Frans Buyens enz...

Het hoeft niet echt te verwonderen dat de animatiefilm floreert in het land van het stripverhaal. Belvision, een van de grootste Europese animatiestudio's, wordt al in 1955 gesticht door Raymond Leblanc, grote baas van de uitgeverij Lombard. Zij produceert tal van succesrijke lange animatiefilms, zoals Astérix de Galliër (1967), Kuifje en de zonnetempel (1969), De fluit met zes smurfen (1975). De Belgische animatiefilm wordt ook vaak internationaal gelauwerd. Zo wint Raoul Servais in 1979 de Gouden Palm met Harpya, Nicole Van Goethem in 1986 een Oscar met Een Griekse tragedie, Gérald Frydman in 1984 de Gouden Palm met Le Cheval de fer. Picha valt in 1975 in de prijzen met Tarzoon, de schande von de jungle. André Delvaux wijst met De man die zijn haar kort liet knippen ( 1966) de weg naar de moder­ne film en naar internationale erkenning. Talent de over bij de filmmakers die volgen, waaronder een hèle generatie van Vlaamse cineasten (Roland Verhavert, Harry Kumel, Robbe de Hert...). Mira (1971) geeft de smaak van succès en deVlaamse literatuur wordt een quasi onuitputtelijke bron van inspiratie (zie het desbetreffende deel). In de negentiger jaren melde zich de Waalse cineasten. Vooraf gaat alweer André Delvaux. Zijn Rendez vous à Bray krijgt in 1971 de prestigieuze Prix Louis Delluc. De gebroeders Dardenne nemen de fakkel over, met de Gouden Palm voor Rosette in 1999. Jaco Van Dormael ontvangt de Gouden Caméra en een César voor Toto le Héros (1991), Gérard Corbiau een César voor Farinelli (1994) en Lucas Belvaux de Prix Delluc voor Un couple épa­tant / Après la vie / Cavale (2003). Danis Tanovic doet in 2001 nog beter met de Oscar voor de beste buitenlandse film, met No Man’s land. Voor dezelfde onderscheiding worden genomineerd: Le Maître de musique (Gérard Corbiau - 1988), Farinelli (idem - 1994), Daens (Stijn Coninx -1992), Iedereen beroemd (Dominique Deruddere - 2000). Tal van andere producties vallen in de prijzen, zoals Lient (Stijn Coninx — 1998), Pauline en Paulette (Lieven Debrauwer — 2001 ), Ma vie en rose (Alain Berliner — 1997), Une liai­son pornographique (Frédéric Fonteyne - 1999). De prent C'est arrivé près de chez vous (1992) van Rémy Belvaux kaapt diverse onderscheidingen weg op het Festival van Cannes en groeit daarna uit tot een heuse cultfilm. En vergeten wij evenmin filmmakers als C. Akkerman, M. Hansel, M. Didden, J.-J. Andrien...                   

In het panorama wordt al helemaal onoverzichtelijk als je gevierde scenarioschrijvers, chefs cameramannen, componisten, monteurs en zovele andere wilt opsommen. Nochtans zijn ook zij essentieel in het succesverhaal van de Belgische film. Hugo Claus schrijft vaak voor de Vlaamse film en maakt zelf het scenario bij de verfilming van zijn eigen werken (Vrijdag in 1980, Het Sacrement in 1989...), Jacques Brel doet dat voor Franz (1972) en Far-West (1973). Une Liaison pornographique (Frédéric Fonteyne - 1999) en Thomas est amoureux (Pierre-Paul Renders - 2000) danken hun succès ook aan de pen van Philippe Blasband. Zegt je de naam Charles Spaak iets, de scenarist van bekende films als La kermesse héro­ïque (Jacques Feyder - 1935) en La Grande illu­sion (1937)? Ook een aantal componisten van filmmuziek verwerven faam. Frédéric Devreese (films van André Delvaux), Dirk Brossé (Daens, Koko Flanel...), Raymond van het Groenewoud (Iedereen beroemd, Blueberry Hill, Brussels by night...) zijn er maar enkele. Internationaal bekende regisseurs doen een beroep op Wim Mertens (The belly of the architect van Peter Greenaway - 1986, Pater Damiaan van Paul Cox - 1998...) en de klaaglijke melodie die Toots Thielemans schrijft voor Macadam cowboy is nu al filmgeschiedenis. Ghislain Cloquet is chef cameraman van grote regisseurs als Resnais, Sautet, Malle, Bresson, Demy, Woody Allen, Arthur Penn... en wordt zelfs met een Oscar gelauwerd in 1981 voor zijn bijdrage aan de film Tess van Polanski.  Op het ogenblik dat de Belgische film nog in de kinderschoenen staat, ziet een aantal Belgische acteurs zich verplicht naar Frankrijk uit te wijken. Zo worden succesrijke vertolkers als Fernand Gravey, Raymond Rouleau, Madeleine Oseray, Jean Servais, Berthe Bovy, Fernand Ledoux en Victor Francen vaak ten onrechte als Franse sterren beschouwd. Annie Cordy (Rue Haute van André Ernotte...) en Jacques Brel (Les Risques du métier...) maken met succès de overstap van chanson naar film. Senne Rouffaer draagt bij tot de internationale faam van André Delvaux' films. Jean-Claude Van Damme (The muscles from Brussels) maakt het aan de andere zijde van de oceaan. Urbanus tilt Hector (1987) en Koko flanel (1990) op tot kaskrakers. Recentelijk krijgen Pascal Duquenne (Le Huitième Jour - Jaco Van Dormael), Olivier Gourmet (Le fils - gebroeders Dardenne), Emily Dequenne (Rosetto - gebroeders Dardenne) en Natacha Régnier (La Vie rêvée des anges) de prijs voor de beste vertolking in Cannes. Cécile de France (L'Auberge espagnole) mag een César in ontvangst nemen. Marie Gillain (L'Appât), Antje de Boeck (Manneken Pis - Frank van Passel), Anne Petersen en Dora Van Der Groen (Pauline en Paulette - Lieven Debrauwer) worden meer dan eens onderscheiden. Jérémie Renier, Alexandra Vandernoot, Michael Pas, Julien Schoenaerts en zovele andere Belgische acteurs zijn voorbeelden van professionalisme. Outstanding zijn ook zeker Jan Decleir en Benoît Poelvoorde.  

Benoît Poelvoorde wordt ontdekt in de film C'est arrivé près de chez vous (1992).  Dankzij een  aangeboren komisch talent groeit hij in België en Frankrijk binnen de kortste keren uit tot één van de meest populaire acteurs. Zo zorgt hij voor succes met Les convoyeurs atten­dent (Benoît Mariage - 1998), Le vélo de Ghislain Lambert (2001) en Le Boulet (2002). Maar in Podium ontplooit hij helemaal zijn komisch en dramatisch talent, als hij de perfecte dubbelganger wordt van Claude François. Om deze rol tot een goed einde te brengen moet hij overigens vooraf een zware opleiding zang en dans volgen...  

 

Wist je ... dat er in Brussel een mediatheek is die heel de wereld ons benijdt?

 

 

Van Mira (1971) tot De zaak Alzheimer (2003), dat is in een notendop de schitterende carrière van Jan Decleir. Hij is zowel succesrijk op de planken als op net witte doek. Hij zorgt in grote mate er voor dat de Belgisch-Nederlandse  producties Antonio (1996) en Karakter (1998) de Oscar van de beste buitenlandse prent krijgen. Zijn pakkende vertolking van priester Adolf Daens die net in de 19deeeuw opneemt voor de uitgebuite Aalsterse arbeiders, wekt internationaal bewondering. Daens krijgt dus niet zomaar een Oscarnominatie in 1992. Jan Decleir, Antje de Boeck, Michaël Pas, Gérard Desarthe... zetten een schitterende vertolking neer, Stijn Coninx regisseert, Dirk Brossé tekent voor de muziek en, natuurlijk, is er de uiterst solide basis van auteur Louis Paul Boon.  

 

 

 LETTERKUNDE

 

 

 

Wist je ... dat het eerste boek van Jef Geeraerts, Ik ben maar een neger ( 1962), een bestseller is geweest in de VS?

 

L’'Oiseau Bleu, een feeërie in 6 bedrijven en 12 taferelen, gecreëerd in Moskou in 1908 en Pelléas et Mélisande (1892) zijn de belangrijkste werken van Maurice Maeterlinck. Eerstgenoemde creatie vormt de basis voor heel wat bewerkingen, o.m. voor een film van Georges Cukor in 1976 met Ava Gardner, Elisabeth Taylor en Jane Fonda. Maeterlinck schrijft dit werk na een période vol pessimisme en vrees t.a.v. de onbekende krachten in de toekomst. Hij geeft daarmee een boodschap van hoop en vertrouwen in het leven, via de droom van twee kinderen van een arme houthakker die op zoek gaan naar de blauwe vogel, het symbool van het geluk. De auteur is dichter, dramaturg, filosoof en zelfs insectenkundige (La Vie des abeilles in 1901). Hij wordt geboren te Gent, net zoals andere bekende schrijvers (Jean Ray, Suzanne Lilar, Karel van de Woestijne...) en kent internationaal succes (Londen, Moskou, Parijs). Hij is de enige Belgische schrijver die de Nobelprijs mag in ontvangst nemen (1911). Samen met andere Franstalige Vlaamse auteurs, Charles Van Lerberghe (La chanson d'Eve - 1904), Emile Verhaeren (Les villes tentaculaires - 1895), Max Elskamp (Dominical - 1892) en Georges Rodenbach (Bruges-la-morte - 1892) behoort hij tot het Belgische symbolisme, waarin mysterie en suggestie de boventoon voeren. De impact hiervan is essentieel voor de Franstalige literatuur. Begin 20ste eeuw zorgen Waalse dichters zoals Henri Michaux. Achille Chavée, Norge e.a. voor de aflossing van de wacht. Schilders zoals Graverai, Mesens, Magritte en Delvaux geven samen met hen een internationale dimensie aan een uitermate belangwekkende kunststroming in België: het surrealisme. 

 

Amélie Nothomb

Stupeur et tremblements is al de 8ste roman van de auteur en krijgt de "Grand Prix" van de Academie française. Zij is de dochter van eenambassadeur en brengt een deel van haar jeugd in Japan door, waar zij steeds met nostalgie aan zal denken. Met de bekende zelfspot brengt zij hier verslag uit van haar wedervaren in een Japanse onderneming. Sedert zij de literare wereld is binnengestormd met Hygiène de l'assassin in 1992, levert zij elk jaar een nieuwe roman af, gaande van Sabotage amoureux (1993) tot Biographie de la faim (2004). Originaliteit, humor, non-conformisme, analytisch vermogen zijn haar handelsmerken en staan borg voor succes en onderscheidingen.  

Haar oeuvre neemt daardoor een belangrijke plaats in onder andere Belgische werken die al literaire prijzen ontvangen hebben: Faux passeports (Charles Plisnier - Concourt 1937), Léon Marin prêtre (Béatrice Beck -Concourt 1952), Saint Germain ou la négociation (Francis Walder - Concourt 1958), Creezy (Félicien Marceau - Concourt 1969), L'herbe à brûler (Conrad Detrez - Renaudot 1978), La Démence du boxeur (François Weyergans -Renaudot 1992), Tempo di Roma (Alexis Curvers - Sainte-Beuve 1957), Les Eblouissements (Pierre Mertens - Médicis 1987), Orlanda (Jacqueline Harpman - Médicis 1996), Le Souffle (Dominique Rolin - Femina 1952), L'Empire céleste (Françoise Mallet-Joris - Femina 1958)...   De Rosselprijs, de Belgische versie van de Goncourt en ingesteld door het dagblad Le Soir, is al te beurt gevallen aan Henry Bauchau, François Emmanuel, Thomas Gunzig en ... Pierre Mertens (Les Bons offices - 1974, Terre d'asile - 1978) die bekend staat om zijn sociaal en politiek engagement. In het theater ontvangt La Ville à voile ( 1967) van Paul Willems de "Prix Mazotto" terwijl stukken als Le Cocu magnifique (1920) van Fernand Crommelynck en L'oeuf (1956) van Félicien Marceau in Parijs triomfen vieren.  De Leeuw van Vlaanderen is het meest gelezen boek in deVlaamse literatuur en symboliseert de Vlaamse bewustwording. Dit Vlaamse epos vertelt de overwinning van de Vlaamse steden op het léger van de Franse koning tijdens de Guldensporenslag. Hendrik Conscience schrijft diverse historische romans, werkt inspirerend op de Vlaamse beweging en "leert zijn volk lezen". Toch is het wachten op "Van Nu en Straks" in 1893 om een coherente Vlaamse literatuur te zien ontstaan. Guido Gezelle (1830-1899), Paul van Ostaijen (1896-1928) en Karel van de Woestijne (1878-1929) vormen, met hun vernieuwende virtuositeit, de voorhoede van een nieuwe generatie van talentrijke dichters in de 20ste eeuw (Eddy Van Vliet, Paul Snoeck, Léonard Nolens, Maurice Gilliams...). 

 

 

Wist je ... dat de Uitgaven Actes Sud die de Concourt 2004 publiceren, eigenlijk in 1978 te Arles gesticht zijn door de Belgische schrijver Hubert Nyssen?

 

De historische roman La Légende d'Uilenspiegel van Charles De Coster wordt als een belangrijk  werk van de wereldliteratuur beschouwd, op dezelfde hoogte als Don Quijote van Cervantes. Met is vertaald in een dertigtal talen en vaak bewerkt voor theater, opera, film en zelfs tot een muzikale komedie of stripverhaal herwerkt. Met is een volksepos dat zich afspeelt te Damme in de 16de eeuw, met als achtergrond net Vlaamse verzet tegen de geloofstirannie van Filips II. Tijl Uilenspiegel staat voor rechtvaardigheid en vrijheid en symboliseert voor alle verdrukte volkeren de hoop op bevrijding.

Met zijn werk boort De Coster een regionalistische inspiratiebron aan die de Belgische roman van 1880 tot 1930 zal overheersen en tal van Franstalige en Nederlandstalige auteurs zal beïnvloeden. Zij schetsen de boerenwereld met een zekere voorliefde voor de Kempen. De lijst is lang, met namen als Camille Lemonnier (Un Mâle - 1881), Georges Eekhoud (Kees Doorik - 1882), Marie Gevers (La Comtesse des digues - 1931), Félix Timmermans (Pallieter - 1916), Stijn Streuvels (De Vlaschaard - 1 907), Ernest Claes (De Witte -1920), Herman Teirlinck, Cyriel Buysse, Jean Tousseul... Die "streekromans" vormen later de gedroomde inspiratiebron voor talrijke cineasten en deze Belgische films hebben succes bij publiek en critici in de jaren VO. Wie herinnert zich niet Paix sur les champs (1970) van Jacques Boigelot (naar Marie Gevers), Rolande met de bles ( 1972) van Roland Verhavert (naar Herman Teirlinck), De witte van Zichem (1980) van Robbe De Hert (naar Ernest Claes), Mira (1971) van Fons Rademakers (naar Stijn Streuvels), Pallieter (1975) van Roland Verhavert (naar Félix Timmermans)...? De volkse poëzie van Maurice Carême ( 1899-1978) of de roman L'Oeuvre au noir van Marguerite Yourcenar (1903-1987) vormen eveneens literatuur die sterk streekgebonden is.  

Het Verdriet van België vormt de echte internationale doorbraak van Hugo Claus en wordt vaak "deroman van de eeuw" genoemd in de Nederlandstalige literatuur. Deze grotendeels autobiografische saga vertelt de intellectuele en emotionele ontwikkeling van een jongeman tegen de achtergrond van de gespannen politieke toestand, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Hugo Claus is de meest bekende, vertaalde, polyva­lente en productieve schrij-ver van de 20ste eeuw in de Vlaamse letteren. Hij is een taalvirtuoos en heeft meer dan honderd werken op zijn naam. Hij is tegelijk romancier (De verwondering - 1962), dichter (De Oostakkerse gedichten -1955), novellist, toneelschrijver (Vrijdag - 1969), essayist, vertaler, scenarist en cineast (De vijanden -1967). Hij schildert ook en maakt deel uit van COBRA, samen met Alechinsky en Burny. Hij is diverse malen voorgedragen voor de Nobelprijs. Zijn werk ademt vrijheid uit en hekelt de burgerlijke moraal. Tal van prijzen vielen hem al te beurt: de Constantijn Huygensprijs (1979), de Prijs der Nederlandse Letteren (1986), de hoogste onderscheiding in het taalgebied. Dichter Maurice Gilliams is ook laureaat van deze twee prijzen (1969 en 1980). De Constantijn Huygensprijs wordt ook toegekend aan Willem Elsschot (1951), Louis Paul Boon (1996) en Léonard Nolens (1997), terwijl de Prijs der Nederlandse Letteren ook uitgereikt wordt aan Herman Teirlinck (1956), Stijn Streuvels (1962), Gerard Walschap (1968), Marnix Gijsen (1974) en Christine d'Haen (1991).  

De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren (1956) behoren tot het beste van wat Boon ooit geschreven heeft. Het is een monumentale diptiek en tegelijk een gedurfde “roman van een roman" die het ontstaan en de groei van het socialisme in Vlaanderen, via het dagelijkse leven, schetst. De auteur hanteert trouwens een taalgebruik dat nauw aansluit bij het dialect van zijn geboortestad Aalst. Boon is een politiek militant, sterk sociaal geëngageerd, journaliste in de socialistische en communistische pers en verdediger van de arbeidersklasse. Hij laat geen gelegenheid voorbijgaan om de absurditeit en menselijke dwaasheid op de korrel te nemen. Zo onderstreept hij de waanzin van de oorlog in Mijn kleine oorlog (1946), een kroniek van Vlaanderen onder de Bezetting. In Pieter Daens (1992) beschrijft hij de verbeten strijd van de christen-democratie tegen ellende en onrecht in het Aalst van de 19de eeuw. Hij krijgt tal van prijzen en wordt voorgedragen voor de Nobelprijs. Gerard Walschap (1898-1989) en Willem Elsschot (1882-1960) mogen dan al de meesters zijn van de traditionele roman, Louis Paul Boon krijgt de verdienste de literatuur bevrijd en vernieuwd te hebben. Hij wijst daardoor de weg aan een nieuwe generatie, waarvan Tom Lanoye (Alles moet weg, Ten oor­log ..)één der meest markante vertegenwoordigers is.  

Wist je ... dat Het Verdriet van België van Hugo Claus door de Zwitserse cineast Claude Goretta bewerkt is voor een mini televisieserie met Marianne Basler en Ann Petersen?

 

In Pietr-le-Letton verschijnt voor het eerst de beroemde commissaris Maigret die de Luikse  schrijver Georges Simenon onsterfelijk zal maken. Hij is ongetwijfeld de meest productieve francofone auteur (bijna 1000 verhalen, 155 novellen, 200 volksromans, 192 romans, waaronder 75 "Maigrets"). De publicatie van zijn oeuvre in de prestigieuze "Bibliothèque de la Pléiade" in 2003 heeft deze populaire schrijver op het niveau van een eerbiedwaardig auteur gebracht. De schepper van Maigret die lange tijd onder miskenning geleden heeft, maakt daarmee zijn entrée in het "Panthéon der letteren", naast Voltaire, Cervantes en Shakespeare.

Slechts één Belgische auteur, nl. Marguerite Yourcenar, is hem daarin voorgegaan. Maar Simenon betekent nog heel wat meer. Hij is van allen het meest bewerkt voor film en televisie, vertaald in meer dan 60 talen, de geestelijke vader van 9000 personages. Hij is de schrijver van een enorm oeuvre, Gide noemt hem een "Balzac zonder uitwijdingen", hij is kortom een literaire reus. Ook al zijn de "Maigrets" eerder situatieschetsen en zedenschilderingen dan echte detectiveromans, toch behoren zij tot dat genre. Een literaire bezigheid die veel Belgen blijkbaar ligt want schrijvers als Stanislas-André Steeman (L'Assassin habite au 21 - 1939), André-Paul Duchateau (De 5 à 7 avec la mort - 1974), Pascale Fonteneau (Etats de lame - 1993), Bob Mendes (De Kracht van het vuur - 1996) en zeker Jef Geeraerts (De Zaak Alzheimer - 1985) behoren tot de kampioenen van de misdaadroman.  

Op 16 december 1953 verschijnt bij de "Editions Marabout" (in de befaamde reeks "Marabout Junior") het eerste avontuur van Bob Morane, voormalig vliegtuigcommandant en aventurier met een groot hart (La vallée infernale). Meteen het begin van een successtory met meer dan 30 miljoen exemplaren en een genre dat mettertijd evolueert naar de thriller, sciencefiction en het fantastische verhaal. Meer dan 180 verhalen lang achtervolgen Bob Morane en zijn vriend Bill Balantine geboefte, waar ook ter wereld. Televisiefilms, platen, videospelletjes, tekenfilms en diverse strips (getekend door Attanasio met L'oiseau de feu, Forton, Vance en Coria) bestendigen de legen­de. Het zijn Belgen, de drukker André Gérard en "scout" Jean-Jacques Schellens, die het pocketboek in de Franse drukkerswereld introduceren. De "Editions Marabout" ontstaan in Verviers in 1949 en het succès van deze popu­laire en goedkope uitgaven, met stevige kaft en aantrekkelijk omslag, laat niet op zich wachten. Daartoe worden overigens gedurfde publicitai­re campagnes gevoerd en zijn er altijd weer nieuwigheden: de "Marabout Junior’, “'Marabout Mademoiselle" ("Sylvie hôtesse de l'air"), "Marabout Géant" (literaire klassiekers), "Marabout Flash" (praktische uitgaven in heel klein formaat), "Marabout Université" (encyclopedische werken)... Marabout kent gouden tijden in de zestiger en zeventiger jaren (7 miljoen boeken per jaar!) maar wordt dan langzaamaan opgeslorpt door Hachette. Nadien specialiseert de uitgeverij zich in gidsen, praktijk- en informaticaboeken.

Een andere hoogvlieger binnen de Belgische uitgeverswereld is "Martine", een jongerenalbum, getekend door Marcel Marlier. Drieënvijftig verhalen verschijnen, met meer dan 50 miljoen exemplaren en vertaald in een dertigtal landen.  

Malpertuis transponeert Jean Ray de grote mythen uit de oudheid. Het boek wordt beschouwd als een klassieker in hetfantastische genre en krijgt in 1972 een verfilming, met Harry Kumel als regisseur en Orson Welles, Susan Hampshire, Mathieu Carrière... als acteurs. Jean Ray is een productief auteur die ook   schrijft   onder   het   pseudoniem   John Flanders. Hij publiceert vooral voôr 1943 (Les Contes du Whisky, La Cité de l'indicible Peur, Le Grand Nocturne...) maar hij moet wachten tot de publicatie in de beroemde Maraboutreeks (zestiger jaren) vooraleer te worden gelezen door het publiek en geloofd door de kritiek. Hij is de schrijver van de horror, een verteller met een ongebreidelde fantasie en schepper van de bekende détective Harry Dickson. Daardoor wordt hij de fantastische evenknie van Edgar Allan Poe. Tevens boegbeeld van een Belgische traditie, zowel in de schilderkunst (van Bruegel tot Ensor), de film (André Delvaux, Harry Kumel, Raoul Servais...), het stripverhaal (Jacobs, Comès, Servais, Schuiten, Dufaux...) als in onze literatuur. Naast Jean Ray zijn er immers ook Thomas Owen (La cave aux cra­pauds - 1945), Marcel Thiry (Nouvelles du grand possible - 1958), Franz Hellens (Les Réalités fan­tastiques - 1923), Johan Daisne (De trein der traagheid - 1948) en Michel de Ghelderode die met Escurial ( 1927), La Balade du Grand Macabre (1934) niet allen harde en gekwelde maar ook internationaal gelauwerde werken aflevert.   

Wist je ... dat de roman Kaas (1933) van Willem Elsschot onlangs bijzonder enthousiast ontvangen is in deVS en een der best verkochte boeken van 2004 is in Duitsland?

    

 

 

4 SPORT

  

 

 

Eddy Merckx: 525 overwinningen

 Hij heeft ze allemaal gereden en (bijna) allemaal gewonnen.Wat kan je nog van Eddy Merckx zeggen zonder in herhaling te vallen? Hij is de grootste wielrenner aller tijden en de grootste kampioen in alle disciplines, als je de eisen van het wielrennen in rekening brengt. Maar hij is ook een groot voorbeeld. Hij is een buitengewoon wielrenner, als je nagaat dat hij het heeft moeten opnemen tegen een eerder nooit geziene generatie. Poulidor, Van Impe, Gimondi, Zoetemelk, Thévenet in de grote Ronden, Godefroot, De Vlaeminck, Moser en tal van anderen in de klassiekers. Maar laten wij vooral de cijfers spreken. Hij behaalt 525 overwinningen bij de beroepsrenners, 5 zeges in de Ronde van Frankrijk, waar hij 96 dagen in het geel rijdt en 34 etappes wint. Komen daarbij 5 triomfen in de Ronde van Italië en eenmaal wint hij de Ronde van Spanje. En dan CT zijn er de klassieke overwin­ningen. Buiten Parijs-Tours en Bordeaux-Parijs wint hij alle klassiekers, in totaal 29, waaronder zevenmaal Milaan-San Remo. Eddys wordt viermaal wereldkampioen op de weg (éénmaal bij de amateurs, driemaal bij de profs). En na een goed gevuld seizoen vestigt hij met 49,431 km een nieuw werelduurrecord.  

 

Paul Van Himst: de "gouden schoen" van de eeuw

 Hij is pas 16 als een blonde, ietwat verlegen jongeman zijn entree maakt in het eerste elftal van Sporting Anderlecht. Heel snel wordt duidelijk dat het gaat om een uitzonderlijke speler, dankzij zijn wervelende dribbel en élégante speelwijze. Op 17 is hij Rode Duivel en hij zal in totaal 81 caps veroveren. De "kleine prins" van het Astridpark behaalt met zijn club 8 kampioenstitels en 4 bekers. Hij is driemaal de beste doeischutter en krijgt maar Nefs viermaal de "gouden schoen" (1960,1961,1965,1974). In 1995 mag hij de "gouden schoen van de eeuw" in ontvangst nemen. Aïs trainer van Anderlecht wint hij de UEFA-beker tegen Benfica (1984). Hij wordt ook trainer van de nationale ploeg en bereikt in 1994 in deVS de achtste finale van het wereldkampioenschap waar de Belgen zeer onterecht op de Duitsers stranden. Paul van Himst is, samen met Jan Ceulemans en Erwin Vandenbergh, de meest bekende Belgische voetballer. Ceulemans krijgt driemaal de "gou­den schoen" maar maakt vooral furore als kapitein van de nationale ploeg in de gouden jaren.  Ceulemans en de zijnen zijn verliezend finalist van het Europees kampioenschap 1980 te Rome (2-1 tegen Duitsland), halve finalist op het wereldkampioenschap 1986 te Mexico (met 2-0 verloren tegen Argentinië en met 4-2 de kleine finale tegen Frankrijk). Jan Ceulemans is de absolute recordhouder van het aantal selecties met maar liefst 96 caps! Erwin Vandenbergh wordt de beste doelschutter van Europa in 1980, met 39 treffers in de trui van Lierse. Hij mag in het Parijse Lido zijn trofee in ontvangst gaan nemen.

   

Que calor

 Op die bewuste dag in juli  1986 op de Brusselse Grote Markt, vol mensen. Onze moedige Rode Duivels zijn terug uit Mexico waar zij de mooiste bladzijden geschreven hebben van de Belgische voetbalge-schiedenis. De halve finales hebben zij bereikt en ei zo na de finale, ware er die duivelse Maradonna niet geweest bij de Argentijnen. De historische "go...go...go...goal" van Roger Laboureur en Rik De Sadeleer klinkt nog na in de oren, evenals de "ole, ole, ole, ole..." van toen. En ook nu wil iedereen nog graag de vier goals tegen de Russen (achtste finale) en het penaltydoelpunt tegen Spanje (kwartfinale) terugzien. Wat een bekroning voor een ploeg met spelers die al in de finale van het Europees Kampioenschap in Rome (1960) hebben meegedaan. Daar botsen zij op een zekere Hrubesch die twee minuten voor het eindsignaal de Belgische droom tenietdoet. In de Mundial van 1982 in Spanje hebben de Belgen ook al een visitekaartje afgegeven door regerend wereldkampioen Argentinië in de openingsmatch te kloppen. Voor de Wereldkampioenschappen 1990 en 1994 worden de Duivels zeer onterecht uitgeschakeld door Duitsland en Engeland. En heel veel vragen rijzen nog steeds bij de eliminatie in 2002 tegen de latere wereldkampioen Brazilië, na het afkeuren van een perfect reglementair doelpunt van Marc Wilmots.  

Hij behaalt acht Grote Prijzen Formule I (op 116 deelnames), is tweemaal vice-wereldkampioen als rijder voor het prestigieuze Ferrari, wint zesmaal de "24 Uren van Le Mans" (waaronder driemaal opeenvolgend), schrijft de Parijs-Dakar op zijn naam in 1983 en is 17 maal Belgisch kampioen in allerlei discipli­nes. Jacky Ickx is dus een kampioen op de motor en in de auto. Hij wordt geboren op 1 januari 1945 en kent, met 30 jaar, een opvallend lange carrière als piloot. Nadien ontpopt hij zich tot een ervaren organisator en koersdirecteur. Na hem komt Thierry Boutsen, met evenzeer een glansloopbaan in de Formule I. Hij behaalt in 10 jaar 3 grand prix-overwinningen (Canada, Australie in 1989 en Hongarije in 1990). In 1999 wordt hij in de "24 Uren van Le Mans" het slachtoffer van een verschrikkelijk ongeval (tegen meer dan 300 km per uur!) en zet hij een punt achter zijn carrière.  

Wist je ... dat Jacky Ickx zijn carrière begint op de motor, meer bepaald in de trial?

  

Wist je ... dat Dominique Monami en Els Callens de bronzen medaille in het dubbelspel wegkapen op de Olympische Spelen van Sydney in 2000? En dat Xavier Malisse en Olivier Rochus het dubbel­spel winnen op Roland-Garros in 2004?

 

België heeft een motorcrosstraditie, zoveel  is zeker. Namen als Joël Robert, Roger De Coster, Gust Baeten, André Malherbe, Gaston Rahier, Joël Smets, Harry Everts... bewijzen dat. Maar de allergrootste is Stefan Everts. Hij wordt in 1973 geboren in Bree (en is dus dorpsgenoot van Kim Clijsters) en groeit, dankzij vader Harry, op in de sfeer van paddocks en circuits. Vader Everts offert snel zijn carrière op aan het jeugdig supertalent van zoonlief. Stefan is amper 19 en meteen de jong-ste motorcrosswereldkampioen in de geschiedenis...Ondanks vele ernstige kwetsuren (milt weggenomen in 1992, knieoperatie in 1999 en armbreuk in 2000) met evenzoveel tijdelijke non-actiefs, komt hij telkens terug met een ontem-bare winsthonger. Waardoor hij een ongeëvenaard palmarès kan voorleggen: achtmaal wereldkampioen (laatste maal in 2004). Een andere bekroning is de Trofee voor Sportverdienste. Meer dan verdiend, overigens!  

Justine Henin en Kim Clijsters zijn ongetwijfeld de vaandeldragers van de Belgische sport bij het begin van de 2lste eeuw. In die mate zelfs dat niemand minder dan Koning Albert II in 2003 de finale bijwoont van hun finale op Roland-Garros. Een koninklijke finale dus die triomfantelijk wordt afgesloten door Justine. Zij heeft als junior het toernooi in 1997 al gewonnen. Zij realiseert daarmee haar kinderdroom en... lost een belofte in aan haar te vroeg overleden moeder. In 2001 maakt de amper 19-jarige Justine een opgemerkte entrée bij de internationale tennis-profs. Zij wordt halve finaliste op Roland-Garros (geklopt door Kim Clijsters!) en fina­liste in Wimbledon (verslagen door Venus Williams). Samen met Kim, Laurence Courtois en Els Callens bezorgt zij België de Fed Cup. In 2004 wint zij de Australian Open (tegen Kim) en wint zij voor België de enige gouden medaille op de Olympische Spelen van Athene, na een bloedstollende halve finale tegen de Russische Myskina. Kim Clijsters bleef een overwinning in de Grand Chelem najagen. Zij strandt op een zucht in Roland-Garros en Australië maar wint wel de Masters in 2002 in Los Angeles. Zij staat even eerste op de ranking van de beste speelster maar wordt opgevolgd door Justine. Dit magistrale tennisduo is al voorafgegaan door heel wat talent. Dominique Monami en Sabine Appelmans doen van zich spreken bij de vrouwen, Filip Dewulf en later Xavier Malisse en de broers Rochus doen dat bij de mannen. Maar er is natuurlijk ook nog net legendarische duo Brichant-Washer dat voor België de Davis Cup binnenhaalt.  

Het biljartlaken Simonis en Raymond Ceulemans zijn de echte ambassadeurs van het Belgisch   biljart.  Laatstgenoemde wordt in 1938 in Lier geboren en woont er nog steeds. Als jongeman verdeelt hij zijn tijd tussen voetbal en biljart, dat laatste op de tafels van het ouderlijke café. Op 23 wordt hij voor het eerst Belgisch kampioen driebanden, zijn grote  specialiteit.  Binnen de   kortste keren wordt hij 's werelds beste dankzij een buitengewone toets en dito spelinzicht. Zijn   l00ste overwinning in het driebanden levert hem de titel op van "Mister 100" en meteen ook de naam van zijn café in Lier, waar kinderen en kleinkinderen al voor de aflossing van de wacht zorgen.In 2002 wordt Raymond Ceulemans door Koning Albert II tot "Ridder" geslagen. Meteen de bekroning van een loopbaan die België zowat overal ter wereld bekend en geëerd heeft gemaakt.  

Zij is zesvoudige wereldkampioene, behaalt negen Europese titels, één Olympische "demonstratie"-gouden medaille en wordt achtmaal "Sportvrouw van het Jaar". Door dit palmares is Ingrid Berghmans de grootste Belgische sportvrouw ooit. Zij wordt in 1961 geboren en behaalt een eerste wereldtitel in het judo in de "open catégorie" als zij 19 is. Op de Olympische Spelen van Seoel is het judo slechts een demonstratiesport en zij behaalt daar een eerder symbolische gouden medaille. Maar de grootste verdienste van deze judoka is ongetwijfeld dat zij het voorbeeld geweest is voor een hele volgende generatie. Voor Ulla Werbrouck bijvoorbeeld, Olympische kampioene in de categorie minder dan 72 kg (Atlanta - 1996), na een memorabele finale tegen de Japanse Tanabe. Ulla wordt tweemaal vice-wereldkampioene en zevenmaal Europese kampioene. En dan is er Gella Vandecaveye die in de categorieën -6l kg en -65 kg zeven Europese titels behaalt, twee wereldtitels en twee Olympische médailles (zilver in 1996 te Atlanta en brons in 2000 te Sydney). Zij kondigt het einde van haar carrière aan maar probeert nog eenmaal te schitteren op de Olympische Spelen. Tevergeefs, helaas...  

Wist je ... dat België ook tal van kampioenen in detrial heeft voortgebracht, met o.m. Eddy Lejeune uit Dison die driemaal wereldkampioen is van 1982 tot 1984?

 

Hij is Belgisch delegatieleider voor de Spelen van Athene in 2004 maar staat al veel langer symbool voor de vastberadenheid, kracht en wil die elke atleet moet kunnen opbrengen, wil hij de top bereiken. Hij bereikt in elk geval zijn top op de Olympische Spelen van Moskou in 1980, waar hij goud wint door de Rus Khouboulouri voor eigen publiek te verslaan in de catégorie. Vier jaar later elimineert een Amerikaanse scheidsrechter hem in de eerste ronde van de O.S. van Los Angeles. Robert Van de Walle neemt nog tweemaal deel aan Olympische Spelen. In Seoel (1988) haalt hijbrons maar in Barcelona (1992) vist hij achter het net. Hij wordt wel vijfmaal Europees kampioen en tweemaal vice-wereldkampioen."Zware jongen" Harry Van Barneveld wint als tweede Belgische judoka Olympisch eremetaal,nl. brons in de "open" van Atlanta in 1996.  Het zwemmen wordt altijd al beheerst door enkele groten (VS, Australië, Duitsland, ex-USSR,...).  En uitgerekend in die sport zorgt Fred Deburghgraeve op de Olympische Spelen van Atlanta in 1996 voor een exploot en een uniek feit in de Belgische sportgeschiedenis. In Atlanta behaalt "Fredje" immers de titel op de 100 meter schoolslag in 1'00"65 nadat hij inde kwalificatie al voor een nieuw wereldrecord heeft gezorgd, met 5 honderdsten seconde minder.Het is net koninginnenummer van het zwem­men en een tijdlang het "privé domein" van Deburghgraeve die in het Australische Perth wereldkampioen wordt in 1998. Hetzelfde jaar verbetert hij zijn eigen wereldrecord van 59'02" tot 58'5I".In 2000 zet hij een punt achter zijn carrière en gaat niet naar de spelen van Sydney. Hij krijgt de trofee voor Sportverdienste in 1995, op een moment dat hij nog "maar" Europees kampioenis. Met beste moet dan nog komen. Bij de dames is Brigitte Becue de nationale trots op internationaal niveau. Zij wordt tweemaal Europese kampioene op de 200 m schoolslag (1993-1995) en eenmaal op de 100 m in 1995. Vooral de Olympische Spelen van Atlanta in 1996 vormen een geslaagde campagne, na Barcelona en voor Sydney. In de VS zwemt zij twee finales, wordt 7de in de 200 m schoolslag en 8ste in de 100 m.  

Wist je ... dat Paul Van Himst 235 maal heeft gescoord in zijn loopbaan!

 

Gaston Reiff (°1921) debuteert in het voetbal. Op zijn 18 begin hij evenwel aan atletiek nadat hij een cross gewonnen heeft. Na de Tweede Wereldoorlog wordt  hij een der besten in de halve fond en de fond. Hij wordt 24 maal nationaal kampioen op de 1500, 5000 en 10.000 m, op de 3000 m steeple en in de cross. In 1951 staan alle Belgische records op zijn naam van de 1000 tot de 10.000 m. Hij zal ook drie wereldrecords op zijn conto schrijven, nl. de 2000 m (1948), de 3000 m (1949) en de dubbele mijl (1952). Maar zijn grootste wapenfeit blijft de gouden medaille van de 5000 m op de Olympische Spelen van 1948  en Londen. Na een spannende koers en eenadembenemende sprint klopt hij de grote favoriet, de Tsjech Emil Zatopek met 2 honderdsten van een seconde in 14'17"6. Hij leeft voort in de Belgische sportgeschiedenis als de eerste atleet die een gouden Olympische medaille weet te veroveren.  

In 1964 bezorgt een andere Gaston op de Olympische Spelen van Tokio de Belgen weer goed in de atletiek. Gaston Roelants is al vierde op zijn lievelingsnummers, de 3000 m steeple, tijdens de Spelen van Rome, vier jaar vroeger. In Tokio is hij 27, op het toppunt van zijn atletisch vermogen en voldoende gerijpt. Hij beheerst de koers van begin tot einde en finisht zegevierend in 8'30"8. Het jaar daarop verbetert hij opnieuw het wereldrecord tot 8'26"4. Hij zal zes wereldrecords op zijn naam   schrijven, 28 Belgische en 26 maal Belgisch kampioen worden. Zonder daarbij zijn 3 overwinningen te vergeten in de mythische Corrida de Sao Paulo en zijn 4 zegepralen in de Cross der Naties.

 

 In zijn voetsporen volgen twee begaafde jongeren. Miel Puttemans wordt de grootste Belgische recordjager (12 wereldrecords in zaal en 4 op de piste). Hij behaalt een zilveren medaille op de 10.000 van de Spelen van München ( 1972), wordt finalist op de 5000 in Mexico (1968), op de 10.000 te Montréal (1976) en halve finalist op de 5000 te Moskou (1980). Karel Lismont, van zijn kant, is de marathonman. Klein van gestalte maar groot van talent behaalt hij een Olympische zilveren medaille in Munchen (1972) en een bronzen plak op de Spelen van Montréal vier jaar later.  

 

Wist je ... dat superfavoriet Roger Moens tijdens de Olympische Spelen van Rome in 1960 de 800 m verliest van de Nieuw-Zeelander Snell, omdat hij vooral oog heeft voor zijn grote rivaal Kerr?

  

Wist je ... dat de Belg Paul Gailly tijdens de Olympische marathon van Londen net voor de meet begeeft, terwijl hij op kop loopt, en vrede moet nemen met de derde plaats?

 

Leuven is de bakermat van atletiekgroten. Hier zien Roelants, Puttemans en later Kim Gevaert het licht maar ook, op 21 februari 1954, Ivo Van Damme. Als hij 16 is, ruilt hij het voetbal in voor de atletiek en zeer terecht. Hij wordt een kampioen op de 1500 maar vooral op de 800 meter. Hij is buitengewoon talentrijk en heeft een sterk karakter. Hij ontpopt zich tot een trainingsbeest, met maar één ambitie: de nummer één plaats in de wereld. In 1976 neemt hij voor het eerst, en helaas voor het laatst, deel aan de Olympische Spelen van Montréal. Met een geweldig succès want hij wordt tweede op de 800 m (achter de Cubaan Juantorena) en op de 1500 (na de Nieuw-Zeelander Walker). Deze twee atleten zijn de eerste die later een eresaluut brengen op de meeting die Van Dammes naam zal dragen en elk jaar het Koning Boudewijnstadion in vervoering brengt. Want Ivo Van Damme komt in december 1976 om bij een verkeersongeval op de Franse "Autoroute du Soleil", als hij terugkeert van een trainingsstage aan de Côte d'Azur. Een Belgische atletiekzon zal nooit meer opgaan...  

Wist je ... dat Ivo Van Damme een der eersten is die oog heeft voor zijn "image"? Zo zendt hij een postkaart met zijn buitenlandse stages aan de Belgische journalisten.

   

 

 

 

 

5        VOLKSKUNDE

   

GODSDIENST

 Wist je ...dat het "Feest van God"  ("Fête Dieu") er gekomen is dankzij Soeur Julienne, een bescheiden zuster, die Paus Adrianus overtuigd heeft van haar grote devotie voor het Heilig Sacramanent?                     

 

 

FEESTEN, OPTOCHTEN

 

De Gille vormt het symbool bij uitstek van het carnaval. Toch blijft het een merkwaardig personage, dat bovendien deel uitmaakt van het UNESCO werelderfgoed.  Het kostuum omvat een linnen vest met twee met stro gevulde bulten, één vooraan en de andere achteraan. De bijpassende broek is versierd met 20 heraldische leeuwen in rode en zwarte vilt en met 120 sterren met de Belgische kleuren. Een belletje bevindt zich op de bult vooraan tegen de borst. De Gille draagt een witte muts, de baret en daarop een hoofddeksel dat bijna 3 kg weegt in struisvogelveren die 150 cm hoog kunnen zijn. Zijn geplisseerde kraag bevat niet minder dan 150 m lint. De linnen gordel is versierd met koperen belletjes en klokjes, die "apèrtintaye" genoemd worden. De Gille draagt houten klompen met een smalle lederen riem, als versiering van de befaamde geplisseerde linten. In de gevlochten tenen mand draagt hij appelsie-nen. Op Vette Dinsdag draagt hij een linnen masker, bekleed met was, versierd met een groene bril, een snor en een "mouche". Tijdens de ochtend van de grote dag loopt de Gille ook rond met zijn schoorsteenborstel van wilgentwijgen samengehouden door drie rotanbanden. De Gille van Binche werkt inspirerend op gelijkaardige gezelschappen in Charleroi en La Louvière. In Fosses-la-ville komen met Halfvasten de Chinels op straat. 

 

 

Wist je ... dat het vinkzetten in België nog heel populair is, waarbij de beste "zangers" het tegen mekaar opnemen?

   

Het “Cwarmê”

 Dit typisch Waalse carnaval gaat al terug tot 1415. Lu Haguète is het meest representatief voor de maskers en de traditionele personages in de lokale fol­klore. De legende wil dat door Kruistochten heel wat besmettelijke ziekten hier worden ingevoerd. Er ontstaan dus leprozenhuizen waar d.m.v. kapmantel en een "afstandsbediening", de "Hape-tchâr", elk risico op besmetting via direct contact vermeden wordt. En dat zijn nu juist de attributen van lu Haguète. Op het kostuum prijken nog andere versieringen, zoals de tweekoppige adelaar op de rug, verwijzend naar het Heilige Romaanse Rijk oftewel de Germaanse Natie, waarvan het prinsdom Stavelot-Malmedy vroeger deel uitmaakt. De sjerp van het vroegere kapiteinskostuum en de Franse steek met daarop veelkleurige struis-vogelpluimen vervolledigen de outfit. Het wapen, de "Hape-tchâr" in de Waalse taal, ontstaat pas in de vorige eeuw. Het blijkt een ideaal instrument om op carnavalsdag het duizendkoppige publiek rond het parcours te plagen...  

Enkele kilometers daarvandaan, in de abdijstad Stavelot, zijn er de beroemde "Blancs Moussîs" die met Halfvasten zorgen voor veel plezier. De nabije Duitstalige regio van Eupen, Sankt-Vith en La Calamine vieren carnaval op Rijnlandse wijze, met het hoogtepunt op Rozenmaandag. Een gelijkaardig gebruik vind je overigens terug in Aalst en Maaseik die jaarlijks ook een prins-carnaval verkiezen.

 

Tchantchès is de figuur bij uitstek van de Luikse folklore en wordt op miraculeuze wijze geboren op 25 augustus 760. Ondanks zijn uiterlijk en dus eerder omwille van zijn sprankelende geest en zijn goed karakter wordt hij voor de werkende bevolking de prins van Outre Meuse. Als dusdanig treedt hij in dienst van Karel de Grote. Hij is sluw en moedig en vergezelt zijn meester in militaire campagnes in Spanje.  Roland laat Tchantchès rusten en dat wordt hem fataal  in Roncevaux.  Hij kan zodoende immers niet beschikken over de onvergelijkelijke krijger die op zijn eentje 3000 Sarracenen in de pan hakt en de gevolgen zijn bekend...De legende blijft voortleven en Tchantchès wordt, aan de zijde van de onafscheidelijke Nanesse, de sleutelfiguur voor creatieve poppenspelers die zijn kleurrijke heldendaden laten herleven. Tot groot jolijt van duizenden kinderen. 

Hij is het prototype van de echte Luikenaar: koppigaard, dwarsligger, grote mond, met een afkeer voor franjes en vooral enorm onafhankelijk. Hij is de ware burger van het land van Luik, die altijd in vuur en vlam kan schieten voor een of andere nobele zaak. Zijn naam is het resultaat van een vervorming van de Waalse voornaam "Francwès", oftewel François.

 

De optochten tussen Samber en Maas vormen in ritme en kleur een mooie uitbeelding van de zomerse kalender. De oorspong van deze marsen gaat terug tot middeleeuwse religieuze processies, begeleid door gewapende soldaten. De wegen zijn op dat moment alles behalve veilig, omwille van struikrovers of godsdienstoorlog, dus enige bescherming voor de relikwieën is niet overbodig. De processie van Sainte Rolende in Gerpinnes illustreert de oorsprong van deze gebruiken. Pas in de 19de eeuw, als de Fransen België bezetten, trekken de deelnemers keizerlijke uni­formen aan, helemaal in de sfeer van de Franse overwinningsoptochten. Diverse groepen escorteren net kostbare reliek, zowel in de processie van Sainte Gertrude te Nivelles als in de zevenjaarlijkse optocht van Saint Feuillen te Fosses-la-Ville. Met trommel en dwarsfluit, geweersalvo's en vriendelijke marketentsters, behoren deze optochten tot de originele Waalstalige folklore van dit land.Van Walcourt tot Châtelet, van Thuin tot Mariembourg of Jumet kan je regelmatig unifor­men uit het Eerste of Tweede Keizerrijk zien paraderen. Een vijftiental van deze folkloristische optochten mag overigens rekenen op officiële erkenning vanwege de Belgische Franstalige (sic) Gemeenschap.  

De Ommegang is een van oorsprong religieuze processie die teruggaat tot 1348 en een zomers hoogtepunt is te Brussel.  In dat jaar krijgt de jonge Brusselse Béatrice  Soetkens  van   de   Maagd Maria de opdracht een beeldje van haar te gaan stelen in Antwerpen en het naar de Zavel terug te brengen.Er volgen tal van wederwaardigheden en mirakels en tenslotte organiseert de Brusselse de eerste Ommegang. Deze jaarlijkse processie ter ere van het Heilig Beeld van de Zavel toont telkens weer, onder hoge bescherming, het in Antwerpen gestolen, kostbare reliek. In 1594 zet de Ommegang zijn beste beentje voor ter ère van Keizer Karel V, zijn zoon Filips en zijn zusters Maria van Hongarije en Eleonora van Frankrijk. Zeshonderd personages in kledij van toen vertegenwoordigen de grote ambachten van de stad.Sindsdien verzamelt de Ommegang elk jaar opnieuw tal van gekroonde hoofden op de Brusselse Grote Markt. De processie heeft intussen Bruegeliaanse allu­res gekregen met de optocht van dansers, acro-baten, narren en steltlopers. In totaal maken maar liefst 1400 figuranten deze optocht tot een onvergetelijk spektakel.  Een reisduif die voor de zesde maal de lange afstandswedstrijd wint. Met controleapparaat geeft uitsluitsel. De eigenaar is in de wolken.

Een kampioenenduif heeft immers tijd nodig om te groeien. De duivenwedstrijden zijn inderdaad bijzonder veeleisend. België is de bakermat van de duivensport en telt nog 55.000 melkers, meestal de vijftig al voorbij. Maar er staan altijd jongeren klaar om de fakkel over te nemen. Zelfs vanuit Japan is er regelmatig interesse voor kampioenen, voortgekomen uit de kweek "Made in Belgium". De Internationale Federatie, 55 landen in totaal, is trouwens niet zomaar in Brussel gevestigd. Er zijn twee soorten van reisduiven van Belgische "makelij" die hun strepen verdiend hebben: de Antwerpse Postduif of Blauwe, met een grote bek en sterk ontwikkelde morilles en zijn Luikse blauwgeschelpte tegenhanger, met een korte bek en eerder kleine morilles. In 1846 is Antwerpen het wereldcentrum van de duivensport met 25000 duiven die met de boot op reis gaan, uitgezet worden enkele dagen voor er aangelegd wordt met informatie wat er aan boord is. Zo is de vracht al verkocht is bij aankomst.  

Ath is wel net mekka vande reuzen Op de feestelijke "Ducasse", de vierde zondag van augustus, trekt een 50-tal reuzen (met een wilgen-geraamte,tussen de 120 en 180 kg en slechts gedragen door één man!) door de stra-ten van de stad. Deze optocht is eerst religieus van aard en gaat terug tot 1399. In 1819 verliest de stoet niettemin zijn godsdienstig karakter. Binnen het reuzengild bevinden zich David en Goliath, die sedert 1487 hun gevecht publiek telkens weer overdoen. Maar ook Samson, Ambiorix en het Ros Beiaard (600 kg en 16 dragers!) zijn van de partij. Op het einde van de stoet maken Mijnheer en Mevrouw Goliath van oudsher een traditioneel dansje, luid aangemoedigd en begeleid door typische muziek. Maar ook elders in het land vind je reuzen. Zowel in Vlaanderen als in Wallonie maken zij deel uit van oude en minder oude folkloristische gebruiken. Nu eens roepen zij een belangrijke periode op in de lokale geschiedenis, dan weer herinneren zij aan populaire personages of aan typische (verdwenen) figuren. In Nieuwpoort heb je bijvoorbeeld Jan Turpijn, de grootste reus van Europa. Hij meet 10,60 meter, weegt 850 kilogram en 26 dragers zijn nodig om hem toe te laten zich tussen het volk te begeven. Hij behoort ontegensprekelijk tot de voornaamste blikvangers van de Sint Bernard-optocht.  

De laatste zondag van juli, en dit al sedert 1673, trekt in Veurne de Boeteprocessie uit. Gekleed in een ruwe pij en met een houten kruis van meer dan 25 kg, leggen de boetelingen net parcours af. De processie heeft te maken met de terugkeer van Robrecht II, Graaf van Vlaanderen, van de Kruistochten. Hij brengt dan een stukje mee van het echte kruis van Christus. Jaarlijks komen er meer dan 20.000 kijkers op deze processie af. Eerst beeldt een groep van 500 figuranten diverse scènes uit van het oude en het nieuwe testament. Nadien komen de boetedoeners, velen blootsvoets, al biddend en zingend.  

In het Henegouwse Lessines nemen de zwarte boetedoeners op Goede Vrijdag deel aan de processie van Christus' teraardebestelling. In pij en kapmantel en met toortsen dragen de boetelingen Christis naar zijn laatste rustplaats. Het doffe geroffel van de trommels, het geluid van de ratels, rouwzangen en gebeden benadrukken nog meer het ingetogen karakter van deze plechtigheid. De hel stad huit zich trouwens volledig in het duister aïs de begrafenisstoet voorbijkomt.Bij de terugkeer in de kerk wordt Christus bijgezet in het graf onder het altaar en dit tot de volgende GoedeVrijdag. Het gebruik dateert al minstens van 1475.   

 

GASTRONOMIE

 

De Belgische kust is maar 66 km lang maar biedt tal van toeristische, folkloristische en   gastronomische ontdekkingen die, soms   samen, voor bijzonder veel plezier zorgen. Zo heeft Oostduinkerke de traditie van de garnaalvangst in ère gehouden, meteen het uithangbord voor de rustige badplaats. Tal van belangstellenden komen kijken als de vissers vertrekken.Gezeten op hun stevige Brabantse paarden, trekken deze vissers met een sleepnet het water in. Zij zijn gekleed in een gele jekker en zorgen voor de lekkernij die onder de meest diverse vormen opduikt in gerechten van het restaurant om de hoek. Ook in combinatie met een of ander edel bier scoren de diertjes. Het hinterland van de Westhoek is trouwens rijk aan speciale bieren. Poperinge, nog steeds een mekka van de hop, is immers niet ver. En zo komt het dat in juli het strand volloopt voor de verkiezing van Mieke Garnaal en dat in september de Hoppekoningin haar opwachting maakt in Poperinge.  Smaken en Belg is tegelijk smulpaap en fijnproever. De Belgische keuken blinkt uit door culinaire verfijning. Wij hoeven dus helemaal niet jaloers te zijn op de Franse buren, want bij ons vind je evenzeer verscheidenheid en tal van kwaliteitsvolle specialiteiten. Belgisch witloof en café liégeois staan op de spijskaart waar ook ter wereld, al of niet in vertaalde vorm. Zij getuigen van een smakenparadijs dat opgeroepen wordt in een zaal om bij te likkebaarden.Zowel in de streekgastronomie aïs in de haute cuisine schitteren chefs van bij ons. Zij kunnen prat gaan op een gedegen internationale reputatie. Deze gerenommeerde vaklui zorgen voor ware magie aan het fornuis.  Deze met sterren bekroonde gastronomie drijft op een vruchtbare en gulle bodem. Daaraan ontleent zij ook een eigen, veelzijdige en algemeen aanvaarde persoonlijkheid. België serveert dus moeiteloos een smakenmenu van aperitief tot pousse-café. Met dank aan bieren en kazen, zeevruchten en Ardeense gerookte waren. Wie valt niet voor de onvergelijkbare Belgische chocolade in al zijn varianten? De meest verwende smaakpapillen vinden hier hun gading. De triomftocht dus van een smaakvol land.   

 

 

Bron: Expo Made in Belgium, 2005, met aanvullingen en verbeteringen  

23:03 Gepost door justitia&veritas in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |